Follow me on Twitter

zondag 30 augustus 2009

Greece I - Preveza


It is the language I am battling with. This is the first time I feel illiterate in Europe! Anywhere else – even in Eastern European countries, I guess, though I didn't visit many – you can at least make out SOMETHING, at least read the letters, even if you don't understand the meaning. But here, in the cradle of our civilisation – so I keep telling myself – nope! I try desperately to learn the Greek alphabet... and keep exercising on shop windows, signs, cash receipts – even the firebrigade's headquarters. I was quite proud to be able to make out “pyros” at the beginning of a very long word, but then I got into trouble.

Why do they have to make such long words? Yes, once you can read them, you can often cut them into separate parts. But how to do this when you are reading like a 5-year old? Yachts are good for learning to read – because they have more or less obvious names. Nicolas. Gogo. Konstantin.There even was a Kassandra... Not sure how to take that, by the way. You wouldn't your boat to end like her, would you?

Some shop windows are easy. “Optika”, I know that one! I also could make out “Orthopedi”-something. But there are some signs, I can't make head or tail of them. But then, how to learn to spell a language which has six ways of writing the sound ee? Some languages have diphtongues, but in Greek the combination of two letters sometimes is the equivalent of another one completely different – can you still follow me? And then, they have even two languages, let's say “classic” Greek and spoken Greek – and the two have nothing in common. According to my Lonely Planet, more often than not a baker will be called artopoieion on the shop sign, but if you ask someone for a baker, you should use the word fournos- which has a far more familiar ring to it.

I will have to learn some Greek, at least. For though quite a few people speak reasonably well English (the young receptionist who worked in this hotel yesterday spoke it even remarkably well), some others – like the owner of this hotel – have no English at all, let alone any other foreign language . And I saw signs like “I speack English, Wir Deutsch sprechen”, “airlaine tickets”, etc.

Oh well. They do their best. Unlike those French tourists, who asked me in French where I had bought the ice cream I was having. So I told them. In French, of course. They thanked me and never seemed to realise it was rather a coincidence that someone in the little town of Preveza spoke their language as I did.

You know what? I am going to sleep on it. For tomorrow... is another day.

Read also my blogs on Greece "Ioannina - and more" and "Close encounters of various kinds".

dinsdag 23 juni 2009

Gratis kranten: tot over tien jaar...?


Aan het discussiepanel*) lag het niet, maandagavond 22 juni. Die hadden er zin an. Aan de aanwezigen ook niet: zij discussieerden mee, bijna vanaf de allereerste minuut.



Maar wat we tegen ons hadden was de Warenwet, op het Parool Theater afgestuurd door een boze buurman, die constateerde dat het met de drankvergunning niet (meer) helemaal pluis was. En dus met onmiddellijke ingang verbood om bier en wijn te schenken - om over iets sterkers (wat waarschijnlijk niet eens in huis was) maar helemaal te zwijgen. Dus gingen bezoekers van tevoren een pilsje drinken bij De Buurvrouw (letterlijk) en verdwenen ze naderhand spoorslags naar het café op de hoek van de Pieterspoortsteeg. Niks meer gezellig naborrelen en -praten. Ja, het gebeurde wel, maar in de kroeg. En dat is toch anders.

Er was nog een tweede vijand, zo mogelijk nog sluipender: de hitte. Iemand had de verwarming laten aanstaan. En al werd die door de dienstdoende vrijwilliger die avond meteen uitgedraaid, en al stond de deur lange tijd open: het wilde niet echt koeler worden in het piepkleine, volle zaaltje. Dat deed mensen tussentijd vertrekken, helaas.

Toch was het een boeiende avond, zo verzekerden verschillende deelnemers me na afloop. Ook al ging het gesprek - het onderwerp was: effecten en toekomst van de gratis kranten, na tien jaar - in eerste instantie meer over commercie dan over journalistiek en al hadden niet alle aanwezigen het onderwerp goed meegekregen (het stond toch overal duidelijk aangekondigd, maar dat is kennelijk niet voldoende; weer een les geleerd).

Zoals gezegd: Metro en Sp!ts waren die dag allebei 10 jaar oud en vierden dat met een jubileumnummer. En De Pers? Zou de derde gratis krant - die alle andere deelnemers roemden om z'n kwaliteit en leesbaarheid, maar waarbij iedereen even zorgelijk keek zodra het over de toekomst ging - ook de tien jaar halen. 'Makkelijk', zei De Pers-uitgeverBen Rogmans met zijn onverstoorbare optimisme. 'Wel de vijftien en de vijfentwintig ook.' En hij schotelde ons een van zijn fameuze rekensommetjes voor - als a, als b, als zoveel procent zus, als zulk een aandeel zo, dan grootse toekomst. Geen twijfel mogelijk.

DAG - een uitgave van de Volkskrant - heeft de strijd al eerder opgegeven en bestaat alleen nog online, met een redactie van vijf mensen. Ex-hoofdredacteur Bob Witman legde uit het vooral de (advertentie)crisis was die de vierde gratis krant in Nederland genekt heeft. Alle gratis kranten mikken bovendien op een vergelijkbaar, jong publiek - op al diegenen die niet meer voor een krantenabonnement willen betalen. Dankzij die gratis kranten, onderstreepte wetenschapper Piet Bakker, zijn er wel een miljoen mensen in Nederland die geregeld een krant lezen, terwijl ze dat anders niet zouden hebben gedaan. Hij trok de vergelijking met Duitsland en Noorwegen, waar geen gratis kranten zijn: 'Daar zitten studenten, als ze van a naar b moeten, gewoon twintig minuten uit het raam te kijken.'

Bakker heeft echter niet geconstateerd dat mensen een gratis krant gebruikten als een soort 'opstapje' naar een betaald abonnement. Voor de jongere generaties is het óf niet, óf gratis.

Veel meer nog dan betaalde kranten moeten de gratis dagbladen de kosten drukken. Ze werken dan ook met piepkleine redactietjes - hoewel ook Piet Bakker daar niet zo van onder de indruk was, 'want op grote redacties werkt het merendeel van al die redacteuren voor de zaterdagkrant, of voor één van de vele bijlagen.' Ondanks de kleine redacties houden daarom ook de gratis kranten wel degelijk de kwaliteit hoog, zeiden de hoofdredacteuren om 't hardst. En ze publiceren lang niet alleen ANP-nieuws. 'Betaalde kranten publiceren net zoveel nieuws van de persbureaus, alleen zetten ze daar "van onze verslaggever" boven...', grapte het panel. Bart Brouwers (Sp!ts): 'Wij brengen zelfs veel buitenlands nieuws. Zo hebben wij als enige een verslaggever naar Liverpool gestuurd om te zien hoe Arriva daar met agressie omgaat. Dat heeft niemand anders.'

Wel moeten er voortdurend keuzes worden gemaakt. Een eigen correspondentennetwerk is bijvoorbeeld uitgesloten. Ben Rogmans: 'Wij mogen de stukken overnemen van een Robert Fisk van The Independent, dat is de beste correspondent in het hele Midden-Oosten. En we hebben afspraken met The Economist, The Guardian en The Atlantic Monthly, dat levert héle goeie stukken op.' Dat je op die manier de 'Nederlandse invalshoek' mist - zoals de verslaggever van NRC Handelsblad vanuit de zaal opmerkt - vinden ze geen van allen een punt. En dat de journalistiek een functie zou hebben als pijler van de democratie, zoals, eveneens vanuit de zaal, Paul Arnoldussen van Het Parool opmerkte, lijken ze allemaal een beetje overdreven te vinden.

Zoals bij eerdere debatten dient ook nu de vraag zich aan: is het einde van het krantentijdperk in zicht? In dat opzicht is Piet Bakker nog het meest optimistisch van allemaal: 'Kranten bestaan al vierhonderd jaar. Ze zijn bestand gebleken tegen de radio, tegen de televisie, ze zullen ook bestand blijken tegen internet. Al worden ze minder gelezen, ze zijn nog lang niet weg!'


*) Het panel: Ben Rogmans (De Pers), Piet Bakker (Uva en Hogeschool Utrecht), Bart Brouwers (Sp!ts), Bob Witman (DAG), met mijzelf als discussieleider. Robert van Brandwijk van Metro vierde net die dag het 10-jarig bestaan van zijn krant en kon daarom niet aanwezig zijn. Het debat, georganiseerd door vakblad De Journalist, was een van de maandelijkse co-producties met Het Parool.

zondag 7 juni 2009

Un grand merci



Lieve, lieve vrienden en (oud-) collega’s,

Het was een memorabel feest. Een (niet-) afscheidsfeest dat me altijd bij zal blijven. En waarvoor ik even tijd nodig had om ervan bij te komen.

Alles was goed: de plek, de ontvangst, de ambiance, alles! In mijn vensterbank en daaromheen prijken nu vier prachtige bossen bloemen. De lelies en pioenrozen – die inderdaad ‘zuipen als bouwvakkers’, om de bloemenman van geefster te citeren – beginnen uit te komen, de boeketten worden er nóg mooier door. Na wat wel een Sinterklaasavond leek, ligt – naast lieve, persoonlijk getinte hebbedingetjes – een grote stapel boeken op een bijzettafeltje – en dan heb ik ’t nog niet eens over de veertig ‘Aanzien van…’, waarvoor ik nog een plek moet vinden. Maar die gaat er komen! Wie zou kunnen dromen dat collega’s het voor je over hebben om een reeks van veer-tig boeken te verzamelen? Een reeks die – inderdaad – ook goed van pas gaat komen, de komende jaren en zelfs nu, op de valreep voor wat de Agenda De Journalist 2010 betreft.

De andere, zeg maar ‘individueel’ gegeven boeken spreken me stuk voor stuk aan en ik ga ze zeker lezen, allemaal! Sommige hebben een speciale betekenis, een aantal is een geschenk van de auteur. Andere gaan over één van mijn favoriete onderwerpen, zoals China. Er zijn er zelfs bij, waar ik heimelijk op gehoopt zou hebben – als ik al had verondersteld dat ik cadeaus zou krijgen! En tot die laatste reken ik het wel zéér onverwachte boek over mijn geliefde tekenaar Albert Hahn. Onlangs nog een bloemetje op zijn graf gezet. Zo zie je maar weer…

In de kast liggen inmiddels verscheidene mooie flessen wijn te wachten op andere feestjes (maar zo lang zal de fles cranberrysap het niet uithouden…). Ander lekkers is al aangesproken (of – zoals de kersen-uit-eigen-Franse-boomgaard – zelfs op…).
Het niet-staatsieportret krijgt een bijzondere plek, met de ‘bon-voor’ en de fotoreportage van de ook al zo memorabele making-of…. De special van De Journalist heb ik beurtelings geamuseerd en ontroerd gelezen en bekeken. Prachtig, zowel qua vorm als qua inhoud… (Klik hier om de pdf te downloaden.)

Maar het grootste cadeau was natuurlijk jullie aanwezigheid (en, van degenen die er niet bij konden zijn, de lieve mailtjes, kaarten, boeken, bloemen…). Mensen uit alle periodes van mijn loopbaan en leven, met wie ik soms heel veel heb meegemaakt, die getuige zijn geweest van cruciale momenten. Sommigen zie ik – of zag ik tot voor kort – (bijna) dagelijks, anderen wonen daarvoor te ver weg. En iedereen is druk, druk, druk… Van mijn leeftijdgenoten zijn er veel met pensioen (maar daarom niet minder actief, ook in het vak. Er werden herinneringen opgehaald waar de jonkies met rode oortjes naar zouden hebben geluisterd (en misschien hebben jullie dat stiekem ook wel gedaan)… Ach, lees er Dag in, dag uit van de jaren zeventig maar op na… Er zullen destijds wel eens mensen verbaasd hebben gestaan dat dat meissie met die rode haren, cowboylaarzen en korte hippiekleding de Parijse correspondente van de Volkskrant was…

Wie weet, misschien zullen ook jullie, ‘mijn’ oud-stagiairs, later, veel later nog eens tegen elkaar zeggen: ‘Weet je nog, dat feestje in het Persmuseum in juni 2009? Dat zogenaamde afscheid van Jacqueline? Those were the days. We stonden aan het begin van onze loopbaan, ’t was niet altijd gemakkelijk, maar we hadden nog wat geléérd. Die jonge journalisten van tegenwoordig… Ze weten niet eens meer wat Twitter was, laat staan e-mail. Nu waven ze alleen nog maar…’ Of woorden van gelijke strekking.

Of misschien zeg je ook wel: ‘Geweldig, die jonkies van nu, kijk eens wat ze toch maar presteren…’

Wie zal ’t zeggen?

Voor nu, aan jullie allemaal: merci! Un grand, grand merci! Thanks a zillion bunches!

Jacqueline

PS – Kwabber : afgesproken. Schiphol? Dat ken ik, schijnt. Wanneer? Hannibal.
PPS - Voor mij is dit geheimtaal. Jacqueline.

vrijdag 22 mei 2009

De beuk en de tulpenboom


Elf dagen nadat ik bij mijn privéherdenking zes bossen witte chrysanten had uitgedeeld, was ik alweer op de Nieuwe Ooster. Ik kom er vaak, want elke geliefde heeft zijn/haar eigen herdenkdagen – hoewel een beetje sjoemelen mág, binnen zekere vloeiende perken – maar zó vaak nou ook weer niet.

Er was dus iets bijzonders aan de hand, op deze 20ste mei. Twéé bijzondere dingen, zelfs, twee ‘events’ in één en dat alles ter gelegenheid van het 115-jarig bestaan van de begraafplaats. Of liever: het officiële bestaan. Want twee jaar voor de officiële opening op 1 mei 1894, was de Grote Rode Beuk links van de aula al geplant.

Dat – en nog veel meer – kwamen we te weten we tijdens de voordracht van Jos van Hest, onder diezelfde immens dikke, doorleefde beuk, de Fagus sylvatica Atropunicea, met zijn ‘purperen parasol’, ‘erkend als landelijk monument’, wiens wortels het graf omvatten van ‘Gerlof Bartholomeus Salm, gestorven op 5 april 1897, de architect die het Aquarium van Artis bouwde en het kerkgebouw van de Vrije Gemeente aan de Weteringschans, nu beter bekend als Paradiso.’

Jos’ voordracht eindigde in een gedicht, ‘Wat de beuk voorbij zag gaan’:
‘Rouwkoetsen met paarden met zwarte pluimen
zwijgende stoeten met zware grafkransen

Heren in jacquet, dames achter zwarte sluiers
doodbidders met hoge hoeden

Kisten op schouders van dragers
kisten op een baar met wieltjes

Bloemstukken met linten
militaire eer en laatste groet

Schoolkinderen met een dode juf in een kist
moeders met een baby in een rieten mandje

Harten van rozen, bloesem van verdriet
ballonnen, fakkels, flarden van een lied

Nabestaanden, achterblijvers
zoveel voetstappen op kiezels.’

De beuk zag nog veel meer voorbijgaan, maar er wachtte ons nog meer moois op de Nieuwe Ooster, nog immer ‘een lieflijk, schilderachtig en poëtisch oord waar men gaarne verblijft, geen sombere en droefgeestige plek waarvoor men huivert erheen te gaan, maar een harmonisch park met slingerende paden en bomen die hun rijk bebladerde takken over de graven uitstrekken om ze te beschermen’, – aldus ontwerper Leonard Springer, 115 jaar later geciteerd door Jos van Hest.

Het volgende ‘moois’ was dus een verhaal van Karina Wolkers, ‘De magnolia en de tulpenboom’. Karina is niet alleen weduwe ván, maar ook beschermvrouwe van de Stichting Arboretum De Nieuwe Ooster, die – zoals de naam al zegt – de beplanting op de begraafplaats wil beschermen en, in modern Nederlands, promoten.

Karina Wolkers sprak tegenover het monument van gekleurd glas dat Jan Wolkers maakte voor het graf van Theo Thijssen. Ook op mijn gebruikelijke rondje over het kerkhof sta ik er altijd even stil. Steeds wisselen de kleuren, groen en blauw, blauw en groen, al naar de lichtval en de zon. Aan de andere kant van het pad is nu een tulpenboompje geplant, een stek van een stek van de tulpenboom van Boerhaave in Poelgeest, die Wolkers tientallen jaren begeleidde – van Poelgeest via de volkstuin van Jan en Karina tot op Texel, compleet met de as van hun poes Voske.

Het duurde lang voordat de boom bloeide:
‘Toen we zo'n jaar of twintig op Texel woonden en een keer in mei bij het atelier de weelderige kruin van de tulpenboom stonden te bewonderen, die inmiddels een meter of acht hoog was, ontdekten we gele kleurvlekken tussen de bladeren. “Verdomd, Karina, hij bloeit,” zei Jan. Met veel moeite vonden we een bloem die laag genoeg zat om te plukken en binnen in een vaasje te zetten om te bestuderen. De drie tegen de steel teruggeslagen heldergroene bloembladen, de zes iets lichter groene bloembladen die de tulp vormen ieder bestreken met een zwierige oranje penseelstreek alsof Frans Hals even was langs geweest. En dan de menigte vettige, goudgele meeldraden rondom het kegelvormige lichtgroene vruchtbeginsel, alsof ze een antiek phallisch ritueel uitvoerden. In ademloze bewondering hebben we ernaar zitten te kijken. En elk jaar weer, tot op de dag van vandaag, produceert hij in het voorjaar honderden van die prachtige, groenige tulpen.’

De bladeren van de tulpenboom, zegt Karina, hebben iets van kattenkoppen,
‘getekend door een striptekenaar. Onder onze tulpenboom ligt niet alleen de as van Voske, maar ook de twee rode, half kartuizer poezen van onze zoons Bob en Tom hebben daar hun laatste rustplaats. Knorretje is vlak voor Kerstmis 2004 gestorven en sinds die dag staat er altijd een witte roos in een champagnefles op haar grafje. Op 3 oktober 2007, de dag van Leidens Ontzet, zestien dagen voor Jans dood, stierf Vincent. Ook zij is begraven onder de tulpenboom. “Als er een hemel bestaat, wil ik naar de kattenhemel om tot in eeuwigheid blikjes tonijn open te maken,” heeft Jan gezegd. Tonijn was Voskes lievelingsvoedsel. Ik weet niet of de wens van Jan in vervulling is gegaan. Hij geloofde niet in een leven na de dood. Maar zijn as is uitgestrooid in de nabijheid van zijn geliefde katten, zoals zijn laatste wens was, onder de tulpenboom van Boerhaave.’

Volgde de onthulling van het bordje met de naam van de boom:
Jan Wolkers-boom
Liriodendron tulipifera
Magnoliaceae
Tulpenboom
Herkomst: Oostelijk deel USA
Deze boom is geplant ter nagedachtenis aan Jan Wolkers, beeldhouwer, schilder, schrijver, 1925 – 2007

De bijeenkomst eindigde zoals ze begonnen was: in het restaurant Roosenburgh. Men hief het glas, men praatte wat na, het was rumoerig en gezellig.

Mijn vorige bezoek eindigde met de dagelijkse konijnenvergadering, waar verscheidene verlate langoren zich – ‘Opzij, opzij, opzij!’ – nog heen spoedden. Ditkeer waren het de duiven en halsbandparkieten die zich op het voorplein te goed deden aan iets onzichtbaars dat ze uit het grind oppikten. De stevige tred van een late bezoekster deed hen opschrikken en daar gingen de parkieten, de hoogste boom in – nee, niet De Beuk, maar wel pal ernaast – om van daaruit rustig het schouwspel beneden gade te slaan.

Voor de voordracht van Jos van Hest, klik hier.
Voor het verhaal van Karina Wolkers, klik hier.
Bij deze gelegenheid verscheen ook een boekje, ‘Bomenpark De Nieuwe Ooster’, uitg. Ginkgo, 126 pagina’s, ISBN 978-90-71256-08-0, prijs € 12,50.


dinsdag 19 mei 2009

Waar begint de sensatie?


Over één ding waren de debaters het eens: dat ze het niet eens werden over de grens tussen ‘sensatiezucht’ en ‘journalistieke plicht om te informeren’. Het debat, op maandag 18 mei in het Parool Theater, speelde zich minder af tussen de panelleden Thom Meens (ombudsman van de Volkskrant) en Natalie Mathot (lid van de Raad voor de Journalistiek en redactiechef van Gooi- en Eembode dan tussen het panel en de zaal. Vooral Roderik Oranje van Het Parool was het op belangrijke punten oneens met Thom Meens – en met een Paroollezeres, die protesteerde tegen een foto waarop één van de slachtoffers in Apeldoorn volgens haar te herkenbaar te zien was.

Waar houdt de plicht om zo volledig mogelijk te informeren op, waar begint de schending van privacy, wanneer overschrijd je de grens? Thom Meens en Natalie Mathot waren het redelijk eens in dat opzicht en vooral Meens toonde zich erg streng, ook wat betreft het vermelden van namen dan wel initialen of beschrijvingen. Hij ging zelfs zo ver, dat hij wees op de inconsistentie van Nederlandse media om buitenlandse verdachten (of slachtoffers), die in hun eigen land inderdaad met naam en toenaam worden aangeduid, dan ook maar met de volle naam te noemen. Terwijl hier te lande toch de afspraak geldt ze slechts met initialen aan te duiden. Gelukkig vond zelfs Meens het wat ver gaan om een societyfiguur als Bernard Madoff aan te duiden als Bernard M. En ook met verdachten die zelf de publiciteit zoeken – zoals Holleeder – mogen we van Meens anders omgaan.

In het algemeen is echter terughoudendheid geboden, zei de Volkskrant-ombudsman. En waar een redacteur – zoals Roderik Oranje – zich afvraagt: ‘ Wie zou je met zo’n foto / met zo’n verhaal schaden?’ moet volgens Meens – gesteund door Mathot – de vraag zijn: ‘Wat voegt dit toe?’ Waarbij overigens het argument van de tijdsdruk nooit een rol mag spelen. Voorbeelden te over: de foto van slachtoffers van Kars T., inderdaad, van hemzelf met bloedend hoofd (erger: de foto van een naamgenoot die het AD ten onrechte plaatste als een foto van Kars zelf), van de op Bonaire vermoorde Marlies van der K(ouwe), van (slachtoffers van) de Schipholramp, van ‘Madrid’ (al dan niet met weggephotoshopte ledematen). Als grensgeval noemde Meens nog de bekende en door de Volkskrant paginagroot geplaatste foto van mensen die uit het WTC naar beneden vielen – al vond hij zelf dat de foto net kon, én omdat de slachtoffers niet herkenbaar zijn, én omdat dat ene beeld de situatie in één beeld samenvat en bovendien op het netvlies blijft hangen.

Een jonge man in de zaal noemde een foto van de markt in Sarajevo, waar in februari 1994 68 mensen gedood en tweehonderd gewond werden. ‘Ik was nog een kind; de foto schokte me diep en is me altijd bijgebleven. Moest die foto zo prominent geplaatst worden?’ Dat leidde tot weer nieuwe voorbeelden, van foto’s uit de Vietnamoorlog (het door napalm getroffen meisje; de man die een pistool tegen het hoofd gedrukt krijgt) en zelfs uit de Spaanse burgeroorlog (de ‘vallende soldaat’ van Capa), die tot iconen geworden zijn en – zeker wat Vietnam betreft – ertoe bijdroegen dat de publieke opinie zich wereldwijd tégen de oorlog keerde. ‘Er zullen altijd foto’s zijn’, zei Roderik Oranje, ‘of het nu gaat om Vietnam, de machetes in Rwanda of de aanslagen op het WTC, die gruwelijk zijn, maar in één klap weergeven wat daar aan de hand is.’

En op dat ene punt leek iedereen het min of meer eens.

Zie ook www.dejournalist.nl Op 22 juni is er in het Parool Theater weer een door De Journalist en Het Parool georganiseerd debat : over gratis kranten, met o.a. Bart Brouwers, hoofdredacteur van Sp!ts. Binnenkort meer nieuws op dejournalist.nl/agenda en parool.nl

vrijdag 1 mei 2009

Tussen feestgedruis en verslagenheid



Koninginnedag in de Rijnstraat, in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Eén man wist het, van ‘Apeldoorn’ - althans, hij was de enige die erover sprak. Het zal kwart voor twee zijn geweest. Zelf had ik nog niets gehoord - niet getwitterd onderweg, geen radio mee, wie verwacht zoiets? Vijf doden, vijf zwaargewonden en acht lichter gewonden – dat is aan het einde van de avond de voorlopige balans. En de dader ligt – bijna – op het kerkhof. Ook dat nog.

Maar in de Rijnstraat is – in elk geval tot een uur of twee – de sfeer ontspannen. Is er iets minder oranje op straat dan een jaar geleden? vraag ik me af. Is het allemaal wat minder uitbundig? Op dat moment denk ik eerder aan ‘de crisis’ als mogelijke oorzaak dan aan een drama zoals dat zich in Apeldoorn afspeelt.

Het enige incident dat ik zelf meemaak, wordt veroorzaakt door twee jongens die dreigend op me afkomen nadat ik een foto van één van hun maten heb gemaakt (met zijn goedvinden). Toevallig staan zij ook op de foto, op de achtergrond. ‘Weg die foto!’ Ik word boos, probeer te onderhandelen, zeg dat ik in m’n recht sta (‘Is dit de openbare weg of niet?’). Maar uit vrees dat ze m’n camera vernielen, kies ik – laf – eieren voor m’n geld. God hoort me brommen, dat wel, en Allah vast en zeker ook.

Voor de rest is het één en al vrolijkheid. Tot die meneer dat vertelt, van Apeldoorn. Dan weet hij nog niet hóé erg het is. ‘Misschien één dode?’

Thuis, met radio, tv, internet, twitter, wordt de ernst van de situatie zonneklaar. Rechtstreeks uitgezonden persconferentie in Apeldoorn, interview met Cohen voor wie ‘het feest is afgelopen’, maar die toch geen feestelijkheden wil verbieden, dan de koningin, zeer geëmotioneerd, die haar afschuw over het gebeurde uit.

Dan komt J. me halen om naar twee verjaardagen te gaan. Onwerkelijk. Bij het Victorieplein gaat de vrijmarkt door of er niets aan de hand is. Op de gezichten van de mensen geen spoor van somberheid. Weten ze het nog niet?

Onze eerste jarige weet in elk geval nog van niets. Oja… haar man hoorde op straat iemand iets zeggen over een auto, een menigte. Dát was het dus… Snel de tv aan. AT5, herhaling van bekende beelden, oud nieuws. We gaan door met de verjaardag. De gasten die na ons komen weten het al, ja, vreselijk. Glaasje wijn? Kopje thee? Appeltaart of slagroomtaart?

Op naar de volgende verjaardag. De zon schijnt nog, over de Amstel daveren boten en bootjes, muziek schalt, nee, knettert, dendert over het water. Hoezo mag muziek niet verder dan tien meter hoorbaar zijn? Hoezo mag er niet gedronken worden aan boord?

Langs de wal is de uitgelatenheid niet minder groot. Mensen vragen de weg, richting CS, richting Amstelstation. Van verslagenheid geen spoor.

Op ons tweede feestje is ‘Apeldoorn’ wel het gesprek van de dag. Eén genodigde heeft om die reden afgebeld, zegt de gastheer. Wij – de gasten die wel zijn gekomen – laten ons de wijn en de taart niettemin smaken. We zwalken heen en weer tussen ‘het onderwerp’ en een redelijke opgewektheid. Zou je anders niet meer jarig mogen zijn op 30 april?

Buiten feesten de oranjefeesters nog immer, ook al zijn ze op weg naar huis. Weer dat gevoel van onwerkelijkheid. Een beetje bozig zijn we ook. Hoe kun je zo bot zijn? In de stad is ’t nog erger, zegt een mevrouw op de tramhalte. Onwetendheid van de feestvierders? Onverschilligheid?

Het is een Koninginnedag om nooit te vergeten. Helaas.



Deze column staat ook op www.zuidelijkewandelweg.nl

vrijdag 27 maart 2009

Eendenmars


Het was een nog net mooie lentedag. ‘s Avonds zou het alweer plenzen en stormen – maart blijft z’n staart roeren. Maar op deze zondagmiddag koesterden we ons nog even in het frisse voorjaarszonnetje. De knoppen van de kastanjes barstten al open, in de perken bloeiden krokussen en narcissen volop en ook de geveltuintjes begonnen voorzichtig wat geel en blauw te vertonen. Hier zat iemand aan z’n motor te knutselen, daar had een ander een stoel buiten gezet, verderop stonden buren te kletsen. De rest van de Rivierenbuurt leek aan de wandel. Mens, kind en dier.

Een sentimental journey bracht me naar de Alblasstraat. Fietsen leunden tegen een bamboe-gevelbos, de binnentuinen waren klaar voor de start naar het voorjaar.

Voor een portiek stond een boodschappenwagentje. Twee eenden, een vrouwtje en een woerd, scharrelden erom heen. Als hondjes die een kluif ruiken. Eenden?! In de Alblasstraat?

‘Wat doen jullie hier?’ vroeg ik. ‘Eenden horen toch niet op straat!’

Het antwoord, op klaaglijke toon, kwam van elders: ‘Ze volgen me al de hele dag. Ga wég!’ Een meisje kwam van de overkant, een pak reclamefolders onder haar arm. ‘Ze gaan nog net niet mee het portiek in. Maar het scheelt niet veel. Nee! Niet meegaan! Weg!’

Ze was bang voor de beesten, die toch allesbehalve agressief waren. Alleen nieuwsgierig als een stel katten. Nu stonden ze voor een moeilijke keuze. Moesten ze het meisje volgen? Of mij? Of bij het karretje blijven? Ze aarzelden, waggelden een eindje in haar richting, stapten de rijweg op, waggelden terug… Ze wisten ’t niet meer.

‘Wilt u ze niet meenemen?’ vroeg het meisje.

Tja. Makkelijker gezegd dan gedaan.

Een vrouw kwam naar buiten, vroeg iets aan het meisje en zei toen resoluut: ‘We moeten ze naar het park brengen. Naar de sloot. Hier hebben ze geen water. Wilt u me helpen?’

‘Ik wil het best proberen’, zei ik. ‘Maar hoe krijgen we ze de Kennedylaan over?’ Ik zag het niet voor me – of juist wel. ‘Ze zijn hier gekomen, ze zullen ook hun weg terug wel vinden’, voegde ik er laf aan toe.

‘Wilt u me helpen?’ herhaalde de vrouw. ‘Ik zal het proberen’, herhaalde ik.

En daar gingen we, in optocht.

‘Kom maar eendjes, kom mee… nee, niet de rijweg op, kom hier!’

Braaf waggelden ze achter ons aan. Misschien verwachtten ze een lekkernij. Of een nieuw avontuur. Iets spannends. Ze trokken zich niets aan van het bekijks dat we hadden.

‘Ik heb thuis brood liggen. Zal ik dat halen?’ vroeg mijn metgezellin. ‘Alleen is het nog niet helemaal ontdooid. Zouden ze dat lusten?’

In gedachten zag ik de eenden aan het bevroren brood snuffelen en hun snavel optrekken: ‘Eet dat zelf maar op!’

‘Ik ga het halen!’ zei de vrouw vastberaden. ‘Daarna moeten we samen het verkeer tegenhouden.’

Ik had er nog steeds een hard hoofd in, maar inmiddels waren we bij de speeltuin naast het oude Stadsdeelkantoor beland. Even leken de eenden de Griftstraat te willen gaan verkennen. Er kwamen een paar auto’s aan, ik wist de vogels net op tijd terug te lokken. Dat beloofde wat, bij het oversteken van de Kennedylaan…

Weifelend keken ze over de stukjes gras op het speelterrein. Dat was het toch niet echt. Het kleine bassin stond helemaal droog. Ze keken elkaar aan, namen een aanloop… en vlogen weg, klapwiekend, hoog over de bomen, over de Kennedylaan, richting Boerenwetering. Binnen een minuut waren ze uit het zicht verdwenen.

Op dat moment kwam mijn mede-eendenhoedster terug, een paar boterhammen in de hand. Ik spreidde mijn armen en maakte een vlieggebaar: ‘Up, up and away!’

Tegelijk schoten we in de lach.

Deze column staat ook op zuidelijkewandelweg.nl

ShareThis