Follow me on Twitter

dinsdag 19 mei 2009

Waar begint de sensatie?


Over één ding waren de debaters het eens: dat ze het niet eens werden over de grens tussen ‘sensatiezucht’ en ‘journalistieke plicht om te informeren’. Het debat, op maandag 18 mei in het Parool Theater, speelde zich minder af tussen de panelleden Thom Meens (ombudsman van de Volkskrant) en Natalie Mathot (lid van de Raad voor de Journalistiek en redactiechef van Gooi- en Eembode dan tussen het panel en de zaal. Vooral Roderik Oranje van Het Parool was het op belangrijke punten oneens met Thom Meens – en met een Paroollezeres, die protesteerde tegen een foto waarop één van de slachtoffers in Apeldoorn volgens haar te herkenbaar te zien was.

Waar houdt de plicht om zo volledig mogelijk te informeren op, waar begint de schending van privacy, wanneer overschrijd je de grens? Thom Meens en Natalie Mathot waren het redelijk eens in dat opzicht en vooral Meens toonde zich erg streng, ook wat betreft het vermelden van namen dan wel initialen of beschrijvingen. Hij ging zelfs zo ver, dat hij wees op de inconsistentie van Nederlandse media om buitenlandse verdachten (of slachtoffers), die in hun eigen land inderdaad met naam en toenaam worden aangeduid, dan ook maar met de volle naam te noemen. Terwijl hier te lande toch de afspraak geldt ze slechts met initialen aan te duiden. Gelukkig vond zelfs Meens het wat ver gaan om een societyfiguur als Bernard Madoff aan te duiden als Bernard M. En ook met verdachten die zelf de publiciteit zoeken – zoals Holleeder – mogen we van Meens anders omgaan.

In het algemeen is echter terughoudendheid geboden, zei de Volkskrant-ombudsman. En waar een redacteur – zoals Roderik Oranje – zich afvraagt: ‘ Wie zou je met zo’n foto / met zo’n verhaal schaden?’ moet volgens Meens – gesteund door Mathot – de vraag zijn: ‘Wat voegt dit toe?’ Waarbij overigens het argument van de tijdsdruk nooit een rol mag spelen. Voorbeelden te over: de foto van slachtoffers van Kars T., inderdaad, van hemzelf met bloedend hoofd (erger: de foto van een naamgenoot die het AD ten onrechte plaatste als een foto van Kars zelf), van de op Bonaire vermoorde Marlies van der K(ouwe), van (slachtoffers van) de Schipholramp, van ‘Madrid’ (al dan niet met weggephotoshopte ledematen). Als grensgeval noemde Meens nog de bekende en door de Volkskrant paginagroot geplaatste foto van mensen die uit het WTC naar beneden vielen – al vond hij zelf dat de foto net kon, én omdat de slachtoffers niet herkenbaar zijn, én omdat dat ene beeld de situatie in één beeld samenvat en bovendien op het netvlies blijft hangen.

Een jonge man in de zaal noemde een foto van de markt in Sarajevo, waar in februari 1994 68 mensen gedood en tweehonderd gewond werden. ‘Ik was nog een kind; de foto schokte me diep en is me altijd bijgebleven. Moest die foto zo prominent geplaatst worden?’ Dat leidde tot weer nieuwe voorbeelden, van foto’s uit de Vietnamoorlog (het door napalm getroffen meisje; de man die een pistool tegen het hoofd gedrukt krijgt) en zelfs uit de Spaanse burgeroorlog (de ‘vallende soldaat’ van Capa), die tot iconen geworden zijn en – zeker wat Vietnam betreft – ertoe bijdroegen dat de publieke opinie zich wereldwijd tégen de oorlog keerde. ‘Er zullen altijd foto’s zijn’, zei Roderik Oranje, ‘of het nu gaat om Vietnam, de machetes in Rwanda of de aanslagen op het WTC, die gruwelijk zijn, maar in één klap weergeven wat daar aan de hand is.’

En op dat ene punt leek iedereen het min of meer eens.

Zie ook www.dejournalist.nl Op 22 juni is er in het Parool Theater weer een door De Journalist en Het Parool georganiseerd debat : over gratis kranten, met o.a. Bart Brouwers, hoofdredacteur van Sp!ts. Binnenkort meer nieuws op dejournalist.nl/agenda en parool.nl

vrijdag 1 mei 2009

Tussen feestgedruis en verslagenheid



Koninginnedag in de Rijnstraat, in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Eén man wist het, van ‘Apeldoorn’ - althans, hij was de enige die erover sprak. Het zal kwart voor twee zijn geweest. Zelf had ik nog niets gehoord - niet getwitterd onderweg, geen radio mee, wie verwacht zoiets? Vijf doden, vijf zwaargewonden en acht lichter gewonden – dat is aan het einde van de avond de voorlopige balans. En de dader ligt – bijna – op het kerkhof. Ook dat nog.

Maar in de Rijnstraat is – in elk geval tot een uur of twee – de sfeer ontspannen. Is er iets minder oranje op straat dan een jaar geleden? vraag ik me af. Is het allemaal wat minder uitbundig? Op dat moment denk ik eerder aan ‘de crisis’ als mogelijke oorzaak dan aan een drama zoals dat zich in Apeldoorn afspeelt.

Het enige incident dat ik zelf meemaak, wordt veroorzaakt door twee jongens die dreigend op me afkomen nadat ik een foto van één van hun maten heb gemaakt (met zijn goedvinden). Toevallig staan zij ook op de foto, op de achtergrond. ‘Weg die foto!’ Ik word boos, probeer te onderhandelen, zeg dat ik in m’n recht sta (‘Is dit de openbare weg of niet?’). Maar uit vrees dat ze m’n camera vernielen, kies ik – laf – eieren voor m’n geld. God hoort me brommen, dat wel, en Allah vast en zeker ook.

Voor de rest is het één en al vrolijkheid. Tot die meneer dat vertelt, van Apeldoorn. Dan weet hij nog niet hóé erg het is. ‘Misschien één dode?’

Thuis, met radio, tv, internet, twitter, wordt de ernst van de situatie zonneklaar. Rechtstreeks uitgezonden persconferentie in Apeldoorn, interview met Cohen voor wie ‘het feest is afgelopen’, maar die toch geen feestelijkheden wil verbieden, dan de koningin, zeer geëmotioneerd, die haar afschuw over het gebeurde uit.

Dan komt J. me halen om naar twee verjaardagen te gaan. Onwerkelijk. Bij het Victorieplein gaat de vrijmarkt door of er niets aan de hand is. Op de gezichten van de mensen geen spoor van somberheid. Weten ze het nog niet?

Onze eerste jarige weet in elk geval nog van niets. Oja… haar man hoorde op straat iemand iets zeggen over een auto, een menigte. Dát was het dus… Snel de tv aan. AT5, herhaling van bekende beelden, oud nieuws. We gaan door met de verjaardag. De gasten die na ons komen weten het al, ja, vreselijk. Glaasje wijn? Kopje thee? Appeltaart of slagroomtaart?

Op naar de volgende verjaardag. De zon schijnt nog, over de Amstel daveren boten en bootjes, muziek schalt, nee, knettert, dendert over het water. Hoezo mag muziek niet verder dan tien meter hoorbaar zijn? Hoezo mag er niet gedronken worden aan boord?

Langs de wal is de uitgelatenheid niet minder groot. Mensen vragen de weg, richting CS, richting Amstelstation. Van verslagenheid geen spoor.

Op ons tweede feestje is ‘Apeldoorn’ wel het gesprek van de dag. Eén genodigde heeft om die reden afgebeld, zegt de gastheer. Wij – de gasten die wel zijn gekomen – laten ons de wijn en de taart niettemin smaken. We zwalken heen en weer tussen ‘het onderwerp’ en een redelijke opgewektheid. Zou je anders niet meer jarig mogen zijn op 30 april?

Buiten feesten de oranjefeesters nog immer, ook al zijn ze op weg naar huis. Weer dat gevoel van onwerkelijkheid. Een beetje bozig zijn we ook. Hoe kun je zo bot zijn? In de stad is ’t nog erger, zegt een mevrouw op de tramhalte. Onwetendheid van de feestvierders? Onverschilligheid?

Het is een Koninginnedag om nooit te vergeten. Helaas.



Deze column staat ook op www.zuidelijkewandelweg.nl

vrijdag 27 maart 2009

Eendenmars


Het was een nog net mooie lentedag. ‘s Avonds zou het alweer plenzen en stormen – maart blijft z’n staart roeren. Maar op deze zondagmiddag koesterden we ons nog even in het frisse voorjaarszonnetje. De knoppen van de kastanjes barstten al open, in de perken bloeiden krokussen en narcissen volop en ook de geveltuintjes begonnen voorzichtig wat geel en blauw te vertonen. Hier zat iemand aan z’n motor te knutselen, daar had een ander een stoel buiten gezet, verderop stonden buren te kletsen. De rest van de Rivierenbuurt leek aan de wandel. Mens, kind en dier.

Een sentimental journey bracht me naar de Alblasstraat. Fietsen leunden tegen een bamboe-gevelbos, de binnentuinen waren klaar voor de start naar het voorjaar.

Voor een portiek stond een boodschappenwagentje. Twee eenden, een vrouwtje en een woerd, scharrelden erom heen. Als hondjes die een kluif ruiken. Eenden?! In de Alblasstraat?

‘Wat doen jullie hier?’ vroeg ik. ‘Eenden horen toch niet op straat!’

Het antwoord, op klaaglijke toon, kwam van elders: ‘Ze volgen me al de hele dag. Ga wég!’ Een meisje kwam van de overkant, een pak reclamefolders onder haar arm. ‘Ze gaan nog net niet mee het portiek in. Maar het scheelt niet veel. Nee! Niet meegaan! Weg!’

Ze was bang voor de beesten, die toch allesbehalve agressief waren. Alleen nieuwsgierig als een stel katten. Nu stonden ze voor een moeilijke keuze. Moesten ze het meisje volgen? Of mij? Of bij het karretje blijven? Ze aarzelden, waggelden een eindje in haar richting, stapten de rijweg op, waggelden terug… Ze wisten ’t niet meer.

‘Wilt u ze niet meenemen?’ vroeg het meisje.

Tja. Makkelijker gezegd dan gedaan.

Een vrouw kwam naar buiten, vroeg iets aan het meisje en zei toen resoluut: ‘We moeten ze naar het park brengen. Naar de sloot. Hier hebben ze geen water. Wilt u me helpen?’

‘Ik wil het best proberen’, zei ik. ‘Maar hoe krijgen we ze de Kennedylaan over?’ Ik zag het niet voor me – of juist wel. ‘Ze zijn hier gekomen, ze zullen ook hun weg terug wel vinden’, voegde ik er laf aan toe.

‘Wilt u me helpen?’ herhaalde de vrouw. ‘Ik zal het proberen’, herhaalde ik.

En daar gingen we, in optocht.

‘Kom maar eendjes, kom mee… nee, niet de rijweg op, kom hier!’

Braaf waggelden ze achter ons aan. Misschien verwachtten ze een lekkernij. Of een nieuw avontuur. Iets spannends. Ze trokken zich niets aan van het bekijks dat we hadden.

‘Ik heb thuis brood liggen. Zal ik dat halen?’ vroeg mijn metgezellin. ‘Alleen is het nog niet helemaal ontdooid. Zouden ze dat lusten?’

In gedachten zag ik de eenden aan het bevroren brood snuffelen en hun snavel optrekken: ‘Eet dat zelf maar op!’

‘Ik ga het halen!’ zei de vrouw vastberaden. ‘Daarna moeten we samen het verkeer tegenhouden.’

Ik had er nog steeds een hard hoofd in, maar inmiddels waren we bij de speeltuin naast het oude Stadsdeelkantoor beland. Even leken de eenden de Griftstraat te willen gaan verkennen. Er kwamen een paar auto’s aan, ik wist de vogels net op tijd terug te lokken. Dat beloofde wat, bij het oversteken van de Kennedylaan…

Weifelend keken ze over de stukjes gras op het speelterrein. Dat was het toch niet echt. Het kleine bassin stond helemaal droog. Ze keken elkaar aan, namen een aanloop… en vlogen weg, klapwiekend, hoog over de bomen, over de Kennedylaan, richting Boerenwetering. Binnen een minuut waren ze uit het zicht verdwenen.

Op dat moment kwam mijn mede-eendenhoedster terug, een paar boterhammen in de hand. Ik spreidde mijn armen en maakte een vlieggebaar: ‘Up, up and away!’

Tegelijk schoten we in de lach.

Deze column staat ook op zuidelijkewandelweg.nl

maandag 23 februari 2009

De katten van Lili, en nog een paar andere

‘Et moi?’ mopperde Hannibal, toen ik me opmaakte om de deur uit te gaan.

‘Et toi? Hoezo poes, et toi?’

‘Ik blijf weer alleen! En jij gaat vreemd!’

‘Ik ga alleen maar naar andere poezen kijken. Ik ga ze niet aaien, ze komen niet op schoot… Dat kan niet eens, want ze hangen aan de muur en ze staan in een boek. En ik ben zo weer terug… Pas maar goed op de Rooseveltlaan in die tussentijd.’

Verongelijkt draaide hij zijn neus naar de verwarming. ‘Maar ik sta er niet tussen!’ hoorde ik hem nog denken. Toen viel hij in slaap. Ik sloop de deur uit en voelde me schuldig.

Heel lang duurde dat niet, eerlijk gezegd, zeker niet nadat ik de Passeerdersgracht had bereikt, Lili en ‘Monsieur Lili’ had omhelsd en rondkeek. Naar mensen die ik kende, maar vooral naar de katten aan de muur, ‘les chats de Lili’.

Nee, Klaasje, Hannibals Parijse voorgangster, stond er niet meer bij, in die tijd schilderde Lili Freriks niet. Ze begon pas weer na mijn vertrek uit Parijs, ook al weer jaren geleden. Maar zwart-witte dubbelgang(st)ers van Klaasje waren er wel. Eén zat demonstratief met zijn kont naar de kijker toe, zoals ook Klaasje placht te doen, voor straf, als we te laat thuis waren. Be-le-digd.

Er hingen ook nog twee halve dubbelgangers van Hannibal. Zonder dat witte vest en die witte sokken, maar met dezelfde tijger-look en de mediterrane struikroversblik. Felis corsicana, noemt ‘Monsieur Lili’ alias Philip Freriks hen in het boek dat bij de tentoonstelling hoort – of andersom. En een felix tunisiani is Hannibal, of beter nog, een felix carthagensis (of zoiets). Want evenals zijn illustere naamgenoot is hij vanuit Carthago over de Alpen getrokken.

‘Lili vindt ze prachtig’, schrijft Philip Freriks over de Corsicaanse katten, die hun nageltjes in je been zetten en zo omhoog klimmen, naar het eten op tafel. ‘Niets mooiers dan die jonge strijders voor een goede zaak zonder ook maar één grammetje vet aan hun lijf. Mannetjes of vrouwtjes, zonder onderscheid. Even vaardig, even doelgericht. De Robin Hoods van kattenland en dat willen ze maar al te graag weten. Als het even kan met geheven staart, om te laten zien, voor zover ze man zijn, dat ze zich door niets en door niemand hun prominent aanwezige ballen hebben laten ontnemen.
To be or not to be felis corsicana.’
Of felis carthagensis.
Of felis umbriana: de poes van Marga van Praag, die als vriendin en kattenliefhebster het eerste exemplaar van Les Chats de Lili kreeg, komt uit Umbrië. Nog zo’n type.
Of ook felis aquitana – want behalve Hannibal in zijn jonge dagen herken ik in Philips beschrijving van de Corsicaanse kat ook James, een kat die zich in Zuid-West Frankrijk, in Aquitaine, bij ons voegde. Via de schoot op de tafel. Nagels in je dijen, dat zet beter af. Vier weken en vele blikjes later stond hij ons midden op de weg uit te zwaaien, toen we wegreden.

Ach, katten… ze weten wat.

Bij veel bezoekers van Lili’s expositie in Le Salon Rouge herkende je meteen de vertederde blik: ‘Kijk eens hoe die erbij ligt, met dat gestrekte pootje…’ ‘En die daar, je hóórt hem spinnen.’ ‘En die poes in dat mandje, op tafel, altijd in de weg…’
Met moeite rukte ik me los van die groene ogen, die puntoren. Was dus laat thuis… Maar Hannibal is Klaasje niet. Hij mag soms mopperen, straf is er nooit bij. Wel werd ik besnuffeld: waar ben je geweest, wie heb je gezien? Om zich vervolgens – na wat geklaag: ik was zo eenzaam, ik heb zo’n honger! – luid spinnend op mijn schoot te nestelen.

Philip & Lili Freriks: Les chats de Lili, de katten van Lili. Uitg. Conserve, ISBN 978-90-5429-274-6. 120 pagina’s, gebonden, € 19,95. De tentoonstelling in Le Salon Rouge, Passeerdersgracht 17A, Amsterdam, duurt tot en met 13 maart.

dinsdag 30 december 2008

Identiteit


"Y'know what?!", om met mijn vier-en-een-halfjarig nichtje Sofie te spreken. Ik mis de CBC. Radio 1, The Current, met Anna Maria Tremonti: rustig, zakelijk, degelijk - en altijd boeiend. Onderwerpen die langer duren dan 90 seconden. Interview (re-broadcast on Boxing Day) met CBC-verslaggeefster Melissa Fung, die in Afghanistan ontvoerd werd, 28 dagen lang - hetgeen al die 28 dagen door CBC én door alle andere Canadese media stilgehouden is, om collega Fung niet onnodig in gevaar te brengen. Melissa Fung was er zelf door geschokt en diep in haar hart - al zou ze dat nóóit toegeven - gefrustreerd: "Als journalist zou ik het nieuws juist hebben willen brengen!"
Ze was trouwens niet ontvoerd als journalist maar gewoon, vanwege de poen. Het was een familiebedrijfje. De vader van de ontvoerders zat in Pakistan en vertelde zijn zoons wat ze moesten doen. Hij leidde ook de onderhandelingen. Afgaand op Melissa's Chinese uiterlijk, twijfelden de jongens of ze wel een buitenlandse was (en dus "rijk"), of een Hazare. Want Afghanen die tot die stam behoren, hebben naar alle waarschijnlijkheid juist géén geld. Helaas, Melissa was geen Hazare - en de organisatie waarvoor ze werkt heeft in de ogen van Afghanen geld. Onduidelijk os overigens of er inderdaad losgeld is betaald (ik kreeg de indruk van niet), maar hoe dan ook zat ze 28 dagen opgesloten in een grot, met alleen haar dagboek als afleiding en houvast. Klik hier voor een transcript van het hele interview.

Een andere keer viel ik middenin een phone-in discussie: hebben papieren kranten nog een toekomst? Nogal voorspelbaar, zou je denken. Maar óf de bellers waren zorgvuldig geselecteerd, óf het was een gelukkig toeval: ik vond de discussie niet banaal. Één beller was blind en had nog nooit een papieren krant gelezen. Dankzij speciale software kon hij nu alle kranten op het internet laten voorlezen. Voor hem een uitkomst. Een andere beller gaf toe dat hij ooit zijn papieren krant had opgezegd, terwijl hij hem toch miste. Een paar anderen zeiden niet zonder krant te kunnen, al was het maar in het weekend. Bij de ochtendkoffie hoort een krant, zei de één. We lezen de krant samen met de kinderen, zei een ander.
Iedereen vond bladeren in papier makkelijker dan online. En al bladerend kom je nog eens iets tegen, een verrassing. Bovendien - zei de aanwezige deskundige, een professor uit Ottawa - wie zou nou z'n kruiswoordpuzzel online doen? Ja, een krant bij de lezers krijgen is omslachtig, weinig efficiënt als je het vergelijkt met de online 'bezorging'. Maar ja, die kruiswoordpuzzel...
Ook in Canada zij ze er nog niet uit. De grote kranten tobben er net zo hard als die van hun benedenburen. En ex-krantenmagnaat Conrad Black zit in de bak bij diezelfde buren, die net een paar van hun grootste en oudste dagbladen om zeep hebben geholpen. Vergeleken met dit continent gaat het met de kranten in Nederland nog niet eens zo slecht.

Terug naar Boxing Day, waar na het interview met Fung de rebroadcast volgde van een discussie over The Canadian Identity: Nation or Notion? Ook weer Anna Maria Tremonti, met als voornaamste deelnemers Malcolm Gladwell (The Tipping Point, Blink) en Adam Gopnik (Paris to the Moon). Daar tussendoor kwam Yann Martel (The Life of Pi) die vertelde hoe hij in India twee typische "Indiërs" tegenkwam, in hun witte tuniek en witte broek. Ze vroegen Martel waar hij vandaan kwam. "Canada", zei hij. "Oh, wij ook." En, vertelde hij, we voelden ons samen heel erg Canadees. Want Canada is geen land met een officiële cultuur, een strikt gedefinieerde identiteit (dat komt me bekend voor...). "The Canadian identity is a state of mind..."

Iets om over na te denken, toch?

De oorspronkelijke discussie tussen Gladwell en Gopnick was opgenomen op 30 maart 2008, bij de University of Toronto en hosted by McCleans magazine.

woensdag 17 december 2008

Sneeuw en ijs en crisis



Aan deze kant van de "vijver" is de crisis beduidend dichterbij. Elke dag zijn radio, tv en kranten er vol van. Vanochtend, op CBC Radio 1, een vertegenwoordigster van de banken in Ontario: de regering MOET de belastingen voor de banken verlagen, or else... Waarop de anchorwoman nogal scherp zei dat de crisis juist ontstaan is omdat de banken hun werk niet hadden gedaan, dus wat zeuren ze nou? En wat moeten de gewone mensen wel zeggen die het krapper hebben dan andere jaren - en dan zou de (provinciale) regering van HUN geld ook nog de banken een cadeautje moeten geven?

Jaja, zei de bankmevrouw, ze begreep wel dat de regering het momenteel ook moeilijk had (op het eerste verwijt ging ze maar niet in) en ze kon zich wel voorstellen dat het niet METEEN mogelijk was - maar de regering zou dan toch met een PLAN moeten komen, zodat die belasting op termijn in elk geval omlaag zou gaan of - beter nog - helemaal zou verdwijnen. The nerve!

Gisteren, in hetzelfde ochtendnieuwsprogramma, een man van General Motors (vice-president van GM Noord-Amerika?). Na veel aandringen van de anchor - want hij zeurde maar door over hoe positief changes bij GM wel konden zijn, en wat voor geweldige innovaties ze allemaal invoerden - kwam het er uit, zonder blikken of blozen en of het de gewoonste zaak van de wereld was: van de 19.000 werknemers die GM Noord-Amerika momenteel telt, zal de helft voor (eind?) 2010 weg moeten. Bijna 10.000 banen weg! Of het niks is! Again: the bloody nerve!

Ook gisteren, een reportage in de Globe & Mail over Detroit. Foto's van straten die er verlaten bij liggen, waar ik-weet-niet-hoeveel-huizen te koop staan; in Detroit heb ik dat niet gezien (ben niet in die buurten geweest, simpel), maar in Windsor, across the river, ziet het er precies zo uit. Ford-town is run-down en half verlaten - except for the community center, dat extra z'n best doet.

Op de achtergrond in diezelfde foto: de GM-toren, die je overal vandaan ziet. En zoals het mij ook al opviel - want in die toren ben ik wel geweest, je kunt hem niet missen, het is de eerste shopping mall als je uit de tunnel en uit de bus komt - kon ook de verslaggeefster van de Globe & Mail niet nalaten op te merken hoe glimmend en luxueus en duur en posh alles in die toren eruit ziet. En in de showroom in het midden staan de Chevrolets en de Hummers en de Buicks en ander duur spul. Je kunt het niet missen, de hele toren is er als het ware omheen gebouwd. En, schreef de verslaggeefster boos in The Globe & Mail - geen woord van excuus tegenover het publiek over de fouten die ook de autofabrikanten hebben gemaakt, onder andere door maar veel te grote, te dorstige auto's te blijven maken...

En behalve de crisis is ook Kerstmis hier veel meer alomtegenwoordig - ook wel juist in verband met de crisis, maar niet alleen: je wordt wakker met kerstliedjes, gaat slapen met kersliedjes, in winkels is het van je Jingle Bells en je Holly and Ivy dat het een lieve lust is... Een witte kerst wordt het, for sure. Over heel Toronto ligt nu al (weer) een dik pak sneeuw en zelfs hier - waar ze onmiddellijk beginnen met straten en stoepen schoonmaken, met schrobben, krabben en strooien - is het verkeer vertraagd en het openbaar vervoer delayed. Een vliegtuigje van Air Canada is van de runway gelopen op Pearson Airport - geen schade, geen gewonden. Maar toch. Zelfs hier, waar ze zo aan sneeuw en ijs gewend zijn. Het is -5C vanochtend, windchill -11C. Weet nog niet of a run in the park erin zit...

dinsdag 2 december 2008

Nog zo druk als een klein baasje

Lambiek 50 jaar journalist

Vijftig jaar in de journalistiek – dat is niet velen gegeven. Op 1 december was het zo ver voor Lambiek Berends. Vijftig jaar geleden, een paar maanden na zijn eindexamen HBS, trad hij als zeventienjarige aan als leerling-journalist bij De Maasbode (nog niet eens De Tijd/De Maasbode) in zijn geboortestad Rotterdam. Later maakte hij de overstap naar de Volkskrant, eerst naar de Rotterdamse redactie en toen, via een correspondentschap in Maastricht, naar Amsterdam. Na negentien jaar hield hij het daar voor gezien en verhuisde – ook om privé-redenen – naar Parijs, waar hij als freelancer werkte en gedenkwaardige columns schreef. Sinds zijn terugkeer in Amsterdam, begin 1985, werkt Lambiek bij Het Parool.
En daar zit hij dus nog altijd, vut en pensioengerechtigde leeftijd ten spijt. Still going strong, en as busy as a flee on a fat woman, om met Dashiell Hammett te spreken, een van zijn favoriete auteurs. Van ‘Amsterdam Onbewolkt’, de reeks luchtfoto’s-met-teksten die hij samen met fotograaf Peter Elenbaas maakt, is net het vierde boek verschenen.
Daarnaast werkt Lambiek op de buitenlandredactie van Het Parool en elke vrijdagavond/nacht voert hij de eindredactie over de krant van zaterdag – en eindredactie betekent bij hem dus écht eindredactie, zoals collega en vriend Albert de Lange nog eens benadrukte. Bij café Leentje – pleisterplaats van de Parolio’s toen ze nog aan de Wibautstraat zaten – werd het jubileum waardig gevierd onder het toeziend oog van hoofdredacteur Barbara van Beukering. Heden en verleden kwamen er samen. Het heden: de Parool-redactie, met natuurlijk een ‘extra editie’ van de krant – en trouwens ook enkele ex-redacteuren – en een prachtige, ondeugende tekening van Joep Bertrams; ‘toepasselijk’, zei deze en gene. Het verleden was er vooral in de vorm van ‘Volksknarren’: zoals Jan van Capel, Willem Beusekamp en fotograaf Wim Ruigrok. En sommigen – Lucy Prijs, Bert Steinmetz, Maurits Schmidt – konden naast een Parool-heden ook op een Volkskrant-verleden bogen. Er werd gespeecht, er werd gedronken, er werd gelachen, er werden héél veel herinneringen opgehaald – aan Parijs, aan krantenpoes Klaasje, aan de misschien toch niet altijd zo goede oude tijd. En het bleef – om ‘Volksknar’ Bram Brakel te citeren – nog lang onrustig in de stad.
(verschijnt in De Journalist nr 21 van 5 december 2008; zie ook www.dejournalist.nl)

ShareThis