Follow me on Twitter

donderdag 31 december 2009

Goede voornemens






1. Geregeld (papieren) opruimen en kranten weggooien; niet meer de stapels zo laten groeien dat ik niets meer kan terugvinden;


2. Rekeningen op tijd versturen (en opletten of ze ook betaald worden); bonnen niet kwijtraken;

3a. Niet meer zoveel tijd verdoen met onzin-dingen (Twitter; allerlei fun-websites die er niet toe doen; online geklets; oude kranten lezen in plaats van ze in de kattenbak te doen); in short: no (at least less) procrastination;

3b. Zichtbaarder zijn op social media: LinkedIn, Twitter, Facebook, Hyves, Netlog, Plaxo... (in strijd met 3a - tja, 't is niet anders);

4. Vaker en vooral geregelder sporten;

5. Aan verjaardagen en zo proberen te denken; en er dan ook wat aan doen;

6. Mensen meteen terugbellen als ze mij gebeld hebben (en een boodschap hebben achtergelaten);


7. Geen geld over de balk smijten;

8. Efficiënter werken;

9. Nog beter op dieet letten;

10. Vaker naar een concert of een dansvoorstelling gaan (en soms naar toneel);

11. Elke dag muziek maken, zingen;

12. Elke dag iets doen waar ik bang voor ben ('Do one thing each day that scares you a day', staat er op mijn Lululemon tas; en Cisca Dresselhuys citeert graag Joke Smit: 'Emancipatie is steeds een stapje verder gaan dan je eigenlijk durft.'). Maar de straat op gaan als er vuurwerk afgeschoten wordt, dat hoeft niet.

13. Tot slot: nu eindelijk aan die cursus Arabisch beginnen...

14. Echt tot slot: niet zo zeuren over die goede voornemens, gewóón DOEN.

Grosso modo zijn 't ieder jaar dezelfde voornemens. 66 jaar en nog zo'n lijst... Zou er nog iets aan te verbeteren zijn?

Misschien zou het helpen als ik mijn voornemens in het Frans of het Engels opschreef. Dan zouden het automatisch 'résolutions', cq 'resolutions' worden: besluiten. Toch iets minder vrijblijvend dan zo'n voornemen... Change the "wish" list into the "I will" list (Lululemon again)...


vrijdag 11 december 2009

Trend 2010: Schrijf sexy en persoonlijk

Licht, transparant, goed gestructureerd, sexy en vooral persoonlijk: dat zijn zo’n beetje de trends voor de voorjaars- en zomermode van het komende jaar. Moeten we daaraan gehoorzamen? Niet per se. Maar het kan handig zijn te weten wat je te wachten staat – om erop vooruit te lopen, of om juist het tegenovergestelde te gaan doen.

Trends zijn al net zo waarneembaar in de journalistiek en ook die kunnen we wel of niet besluiten te volgen. Dat de sociale of nieuwe media in opkomst zijn, wisten we al. We raken bedreven in het schrijven van boodschappen van 140 tekens of dat nu gaat over een pr (persoonlijk record) hardlopen, een interessant discussiestuk, een bijzondere foto of een sinterklaassurprise… En we looien onze huid tegen 140-tekens-lange katten, want ook dat schijnt erbij te horen.

Maar er is meer in het leven dan Twitter (of Facebook, of LinkedIn, of de Villamedia Community). Zoals de, door goeroe Mark Kramer (zie Villamedia magazine nr. 5, 20.11.2009 ) gepromote narrative journalism of – in goed Nederlands – verhalende journalistiek. Denk aan Geert Mak in topvorm. Of, voor de oudjes onder ons, aan wat wij vroeger bij de Volkskrant ‘een mooi verhaal’ plachten te noemen – zo één voor ‘achter de advertentiepagina’s’, zoals wijlen directeur Jan Damen dat zo mooi vroeg aan de toenmalige eindredacteur van de zaterdagkrant, voorloper van Het Vervolg. Terug naar af, in zekere zin: terug naar het ambacht van de verteller. Jack London en Martha Gellhorn zijn beroemde voorbeelden, maar ook bij Het Vrije Volk, Het Parool of De Telegraaf zaten mensen die als geen ander een verhaal konden vertellen, toen dat nog mocht.

Welnu, het mag weer! Sterker, volgens Mark Kramer móet het zelfs… willen kranten überhaupt nog enkele lezers behouden. En wat ook weer mag, of moet – afhankelijk van de wijze waarop je met een trend om wilt gaan – is schrijven voor eigen parochie. Want hoe kleiner de ‘kerk’ die je bedient, hoe meer referentiekaders je deelt. Simpel.

Een andere goeroe, Mark Hunter, net als Mark Kramer een keynote speaker op het VVOJ-congres, eind november – gaat nog een stapje verder. De media die het (financieel gezien) goed doen, zegt hij, zijn de media die partij kiezen. Hunter, die sinds jaar en dag in Frankrijk woont, waar hij doceert aan de business school INSEAD in Fontainebleau, noemt onder andere Le Canard Enchaîné, blad voor onderzoeksjournalistiek (en satire!) dat het al ruim een eeuw uithoudt en nog winst maakt ook, zonder reclame! Hij noemt ook ‘gebonden’ media als die van Greenpeace – en je zou daar makkelijk consumentenprogramma’s als Radar, de Keuringsdienst van Waarde, Kassa aan toe kunnen voegen. Hunter: ‘Mensen willen tegenwoordig nog wel weten hoe dingen in elkaar zitten, maar vooral ook wat ze eraan kunnen doen.’

Opinie, oplossingen, dat is kennelijk wat ‘men’ wil. ‘Het is niet erg om partijdig te zijn, als je er maar eerlijk voor uitkomt’, aldus Hunter. ‘Zolang je maar integer bent.’

Waar heb ik dat eerder gehoord? Vroeger, bij de Vara, misschien? De ‘rode’ omroep wist precies waar ze stond, net als, destijds, de NCRV, de KRO en – ja, natuurlijk, de Vrijzinnig Protestantse Radio-Omroep. Zelfs de Avro had in de zuilentijd een eigen geluid. En gold dat niet ook voor de Volkskrant, toen de Katholieke Vakbond het er nog voor het zeggen had? Of voor Het Vrije Volk? Of – om nog verder in de tijd terug te gaan voor Het Volk van Pieter Jelles Troelstra? Ook Bruins Slot (Trouw) en Hendrik Algra (Friesch Dagblad) noemden zich politicus én journalist.

Niet dat we hun voorbeeld letterlijk moeten volgen, maar wat openlijker kleur bekennen, is misschien niet zo uit den boze als we jarenlang gedacht hebben. De oude Beuve-Méry, oprichter van Le Monde, zei het ook al: ‘Objectiviteit bestaat niet. Een objectief is een lens en mensen zijn geen lenzen. Wél kunnen we eerlijk zijn en aangeven waar we staan.’

Mark Hunter zegt, tientallen jaren later, eigenlijk precies hetzelfde. En als dat nou ook nog zou kunnen in de vorm van een mooi verhaal… Licht, transparant, goed gestructureerd, sexy en persoonlijk… Dan is er, alle sombere voorspellingen ten spijt, voor de journalistiek toch nog hoop. Ook voor de krantenjournalistiek.

Deze tekst verscheen eerder op Villamedia

maandag 19 oktober 2009

Henk

Henk
Het eerste beeld dat ik van Henk heb, is een foto, gemaakt in Nijmegen. Het is zo'n spikkelig, onduidelijk oorlogskiekje, waarop hij gehurkt achter mij zit en mij vasthoudt, want ik kan op dat moment waarschijnlijk nét lopen. Dat is voor mij het ultieme beeld van de Grote Broer, die je beschermt en tegelijk op de achtergrond blijft. En een Grote Broer is hij voor mij altijd gebleven - hij keek zelfs nog of m'n fietsbanden wel genoeg opgepompt waren - en pompte ze desnoods zelf nog op, zelfs toen hij daar voor mijn gevoel toch te zwak voor was. Maar die zwakte, die ellendige ziekte, daar knokte hij tegen met alles wat hij in zich had. Ik had daar heel veel bewondering voor. En later, vrij onlangs dus, toen hij besloot dat hij genoeg gevochten had – toen was dat weer met een mentale kracht waarvan ik dacht: petje af.

En het tweede beeld dat ik van hem heb, dat zijn de brieven die hij aan me schreef toen ik als kind van 6 langdurig in het ziekenhuis lag en hij in Indië was. In mijn herinnering kwam er iedere week zo'n brief. Dat is vast niet zo, ik kan me nauwelijks voorstellen dat een jongen van 20 elke week een brief schrijft aan zijn kleine zusje, maar dat geeft niet. Van die brieven kreeg ik een geweldige kick, in dat ellendige ziekenhuis. Hij schreef natuurlijk alleen over de leuke dingen, over een aapje waar hij mee speelde, bijvoorbeeld. Maanden later, toen ik allang weer uit 't ziekenhuis was maar Henk nog steeds in Indië 'diende', hoorde ik op de radio iets over Korea en de oorlog daar. Ik zei tegen mijn moeder: 'Wat fijn dat Henk in Indië is en niet in Korea...' Waarop m'n moeder een beetje zuinig keek en heel voorzichtig zei dat 't in Indië ook niet zo erg pais en vree was... Daar schrok ik erg van. Ik had geen idee! Henk had het ook wel heel goed voor me verstopt - nooit schreef hij een woord over iets dat ook maar in de verte met die politionele acties te maken kon hebben. Weer moest hij zijn kleine zusje beschermen.

Een jaar of vijf geleden was er weer eens zo'n markant Grote-Broermoment. Het was tijdens het EK in Lissabon, in 2004. Op mijn werk hadden collega's een voetbalpool georganiseerd. Ik weet niets van voetbal, het interesseert me ook geen lor en ik wilde dus niet meedoen. Maar de collegiale druk maakte dat er geen ontkomen aan was. 'Dan moeten jullie het zelf maar weten', zei ik. En ik schakelde Henk in. Hij vond het wel geestig om als een soort 'ghost-writer' voor zijn kleine zusje te opereren. En mijn succes in de voetbalpool was ongekend. We stegen en stegen en stegen en stegen - en bijna, op een haar na, hadden we de pool gewonnen, ware het niet dat we, net bij de finale, overtroffen werden. Maar mooi was het toch geweest.

Het derde is het beeld van HenkenJacques. Bijna als één woord. Een twee-eenheid waren mijn twee broers, onafscheidelijk - ook al zagen ze elkaar in latere jaren weinig. In hun idee waren ze nog steeds de broertjes van 'toen'. Elk jaar gingen ze samen naar Nijmegen, zolang ze nog konden. En wanneer ze elkaar zagen, waren ze voor even weer dat onafscheidelijke stel.

Voor hun (en mijn) oudere zussen waren de kleine broertjes 'de jongens' - en dat zijn ze ook altijd gebleven, al zaten Rie en Greet beiden heel ver weg.

Voor nog iemand in Canada waren ze The Boys. Dat was Roy Shakell, de Canadese soldaat die HenkenJacques in Nijmegen mee naar huis namen - de Canadezen waren gelegerd op de Goffert,tegenover ons huis. De vriendschap met Roy, en met zijn latere gezin, heeft altijd stand gehouden. Altijd vroeg Roy naar The Boys, als ik hem in Midland, zijn stadje in Ontario, ging opzoeken. De vriendschap strekte zich later zelfs uit tot een jongere generatie. En toen Roy stierf, zo'n anderhalf jaar geleden, stonden we alledrie (Henk, Jacques en Jacqueline) onder de overlijdensaankondiging als 'extended family'.

En nu zijn ook de Shakells verdrietig over het overlijden van Henk. En te bedenken dat die vriendschap, dwars over de Atlantische Oceaan en door twee generaties heen, in gang is gezet door twee jochies van 14 en 16, HenkenJacques.

Toevallig was Henk zelfs na zijn dood nog even de Grote Broer die weet wat ik niet weet. Ik had een discussie met mijn achternichtje Margot Linden over de vraag of de tweede voornaam van mijn vader nu Cornelis of Cornelus was. Ik wist zéker dat het CornelIS was, maar Margot had CornelUS op Facebook geschreven. Ze gaf zich bijna gewonnen, zo overtuigd was ik van mijn gelijk. Maar voor de zekerheid zei ze nog: 'Laat je broer Henk 't maar niet horen, hij heeft dat nog zo benadrukt, dat 't CornelUS was.'

Oei, dacht ik, dan kan ik 't beter checken... Dus 't trouwboekje van pa opgezocht - en jawel: CornelUs! Had ik 't 66 jaar fout geschreven... Of tenminste 60 - eerder zal ik niet hebben kunnen schrijven... 'Wat jammer - zei ik tegen Margot - dat ik dit Henk niet kan vertellen!' Waarop Margot: 'Ik denk dat ie 't wel meegekregen heeft, daar waar hij is, en dat-ie heel hard om zijn eigenwijze kleine zusje moet lachen...

zondag 6 september 2009

Greece III - Close encounters of various kinds


Up and down, I wandered... Up... and down... all through the Zagora mountains. I went up to a little chapel dedicated to St Nicholas (as he is Amsterdam's patron saint, I thought I shouldn't miss him...), hidden in the woods on top of a hill – the church bell hanging from a tree nearby...

I met some very nasty mosquitoes on my way, and a herd of curious goats, they, too hidden amongst the trees. There were many more encounters to follow, with goats (and sheep, and cattle, and even horses). And with shepherds. Every morning, they lead their herds into the mountains, every evening, they lead them back “home”, wherever home may be. Next to one of those pretty, steep and narrow “bridges of Zagora county”, I saw a camp of gypsies, as I first thought – but no, this was a camps of modern shepherds, who follow their animals in their four-wheel drive, live in mobile homes, and dress temporary enclosures for the goats and sheep to pass the night in (for there might be bears around, and other predators, human mainly, I should think...).

But the little old man who led his goats up the mountain near the village of Tsepolovo, was of the traditional kind. In his broken German he told me he had worked in Dortmund, and in Wuppertal, in a big factory - but then, after a few years, came back to Greece, to his wife and kids. Now, he was herding his 100 goats. He wrote the figure down, scratched it, rather, on a rock, together with his age (76), and mine (66) – for yes, the Lonely Planet is right: people over here ask you right away for the most intimate details of your life (age, kids, why are you travelling alone, married?)... and don't hesitate telling about theirs. I took a picture of him, and of some of his goats. Then he came a bit too close for comfort, and I pretended not to understand a word of what he was suggesting... ;-) So I drove away, up the mountain, while he climbed effortlessly on...

The place I wanted to reach was the Beloi Outlook, one of those spots where you can oversee the Vikos Gorge. It was, as predicted, a long and winding road... as if it was never to end, one hairpin after another. But I did get there, although – with all my wandering around – this was the very end of the afternoon. As I set out to walk to the Outlook point itself – still at least half an hour away, according to the signs, though actually closer to an hour – I met a couple coming from there. So I asked them about the walk. And the woman – pretty, Italian Isabella, as it appeared – told me they had gone only half way 'because it may seem silly, but I am really afraid of bears...' I said I didn't fear them too much and would sing the “Teddy Bears' Picnic” if I came across one... She then asked me if they might join me, if she wasn't alone, she wouldn't be afraid... Alone? With Pierre, that immensely tall Belgian husband of hers? Did she think this little grandma would be an easy prey for the bear, who would then leave her alone? I will never know.

Anyhow, there we went, the three of us, and I was quite happy with their company too, because you never know what may happen when you're on you own. We walked, and we walked, and we walked, Pierre with his long legs leading the way, even finding the time to take pictures, the woman chatting, about bears, about life in Italy, in Belgium, in Holland... I told them about a nice English family I met back in Monodendri, who did make it all the way down to the Gorge (and back...). They had discussed, jokingly, what they would do if a bear came on their path: Jeff (the son-in-law) would take care of the beast, so his wife Karen and father-in-law David would have time to get away... Isabella, then, in her most dramatic voice: “Pierre, would you do that?Would you sacrifice yourself for me?”“Ehm... Do you have another question?” Pierre replied.

The view was breathtaking at times, you could see the whole valley, the sun slowly going down behind the mountains. The trail was OK – though at the very end, it became very steep and I didn't go any further, while Isabella and Pierre went all the way down to the outlook point. Isabella, apparently, had lost her fear for bears by now. Or she had forgotten about it.

The walk back to where we left the cars was uneventful. Still no bears in sight. We took leave as the dusk was setting in.

It was a long drive back to Monodendri. One hairpin after another, and the night getting darker and darker... I was exhausted when I arrived, parked the car... and decided it wasn't parked well enough. I was so tired I couldn't tell one foot from another – literally – so why I didn't leave the car just where it was, I don't know. Maybe it was just because I was so tired. And hungry. And about to have a hypoglycaemia. Anyway, I thought I'd advance the car just a tiny little bit by loosening the handbrake... and then I didn't pull it fast enough. And bumped right into the Ford Fiesta in front of me.

The whole village, it seems, was watching me. The shop owner from across the street – whose Ford Fiesta it was I had bumped into – came running towards me, gesticulating, shouting. I drove the car back, got out of it and told her how sorry I was, that the insurance would take care of everything, etc etc. She didn't get a word of it, as I didn't understand her. But she didn't find anything wrong with her car, so she finally said: “OK, no problem, OK.” I was most relieved, but then I hadn't counted with her husband. He insisted on inspecting the car thoroughly, again and again.... and yes, he found a tiny little scratch. So... “Police!” Police? A young man offered himself as an interpreter. “We need police to say what has happened, so insurance can pay.” OK then, but can't it be done tomorrow? “No, we have to wait for police, but you not to worry. Go and have dinner, and when police is here, we will call you.” So I ordered dinner... and was called away just as my pasta were put on the table. Still starving, and, worse, still on the border of a hypoglycaemia, I joined the little company. The policeman had arrived in his big Jeep, lit a cigarette, and started discussing the case. In Greek. The woman kept saying: “OK, no problem, OK.” The husband said a lot of things in Greek. The policeman took out a form and started to fill it in. But copying my driver's licence, even with the help of our “interpreter” appeared to be extremely difficult. He persistently mixed up my place of birth and surname, wanted to know my father's first name (“But he's been dead for over 40 years!” I protested, in vain) and couldn't make out the name of the company that rented the car. “Rented cars have good insurance”, our interpreter explained. Aha. That might explain a few things.

The next problem was to find the insurance papers of the “victim”. Her husband showed the policeman one paper after another, but none seemed to satisfy him. Our interpreter had left. I was more and more starving. Meanwhile, the woman kept saying, “OK. No problem. OK!” Eventually, the policeman told me, with gestures, to go back to my dinner; he would then come and bring me the form, signed by the two parties. So he did. And took leave with a firm handshake.

The next morning, I decided to go into the shop and restore relations with the shop owner. She said: “Hi”, and smiled broadly, repeated “OK, no problem” and made clear that it was really, really a very little scratch. “No problem.” I have a feeling that, had it been up to her, she would have left it at that, without all the insurance-fuss. I bought a few things, then we left as the best of friends.

See my pictures of the Zagora Horia
Greece II-Zagora


See also my earlier blogs about Greece, "Preveza" and "Ioannina - and more"

woensdag 2 september 2009

Greece II - Ioannina - and more


“Do one thing a day that scares you”, says my Lulu Lemon Bag. Well, I did. Today and yesterday. Not entirely on purpose – but I did. And on the whole, it worked out well.

Yesterday, I made a walk in the dark. I didn't intend to do so – I just walked up a path in the woods on The Island (Ionnina's island that has no name) above the monastery that I was going to see. The path was tempting, and it was large, and easy. So I followed it. But then, dusk set in, and I forgot how short the twilight is in these regions... However large the path may have been, I couldn't make out where it was. I walked down, and saw the road below. But how to reach it? The closer it seemed, the steeper was the slope between the road and me. In the end, as it became really dark, I sat down on the slope and slid down. I reached the road unharmed, except for a few scratches on my arms. But my shorts were all mucky – and I went on the ferry, back to town, trying to hide my behind... and walking in the shade as much as possible. When I got to the hotel and took my pants off, I saw that it was even worse than I had imagined. Oh well. I did it – but wouldn't for the world repeat it.

Today, it was something else. On my way to the mountain village Mondodendri, in the Zagora mountains, I came across Perama and decided to visit the famous cave in this village. So I did – in the company of a group of young Germans, and a young Dutch family (with a kid of about 3, and the mother expecting another one), and a lot of young AND old Greeks – some with walking sticks. I mention all this, because in order to admire the huge “rooms” and all the stalagtites and -mites, we had to climb – and to descend – an impressive amount of steps. And there wasn't always a railing. At times, I had to overcome my claustrophobia as well as my vertigo... There seemed no end to this “mega” cave as the Dutch woman said. But I looked at the old man with the walking stick, or at the little boy – who kept asking his mother where the elves were - and decided I could do it too.

The funny thing about this cave was its location in the middle of a village. There was a large banner across the street to attract the attention of the visitors. You might have missed it otherwise. And people missed it for centuries, even for millions of years (have there been humans that long?). It was discovered by accident when the villagers looked for shelter during the bombings in WWII; and after the war, a couple of speleologists laid out the map of the cave and prepared it for visitors like us. I have seen quite a few caves, some with a lake inside (this cave had a lake, too) but hardly any as vast as this one. Amazing.

Once outside again, a path led along the mountainside back to the village. Along this path, a woman sat on her veranda, addressing the passers-by and trying to sell jewellery and other souvenirs to them. Or at least a cup of coffee. No such luck – until she found me. I was good bait.

I wouldn't mind a cup of tea, I said. So she made me herbal tea with camomile from the mountain, and we chatted. That is, she told me her story. Today, she said, was her 42nd wedding anniversary (she married at 18, she added). She showed pictures of her son and daughter and her three grandsons. Her daughter would have liked a girl for a second child, but no, “You not buy them in supermarket.”

And then she started, in her broken German, to tell me about her husband. He had been a silver smith, apparently, making the jewellery she sold (and there were some beautiful pieces). But now, he had stopped working, as he had a pension, and he was very ill (from what she told, he must have bowel cancer), but he kept on drinking. He drank and he drank and he drank, she said, and when he ran out of beer (she showed me the empty bottles), he went to town to drink more. (I think that is where he was right then, on their wedding anniversary.)

What to do? she complained. “Doctor says, he should not drink.” But he did. And he had made debts, she went on. She had worked hard all her life, cleaning other people's houses, for little money (“Men, they make good money. Women, they work hard, but no money.”).

Of course, having listened to a story like hers, I didn't have the heart not to buy at least one of the silver objects on offer. I even felt guilty afterwards for having moaned about the price, so she lowered it. And she gave me a little extra, a nice key latch – and she wanted no money for that cup of tea.

We embraced when I left. She then gave me directions, and warned me against the Albanians (we are close to the Albanian border here). “Greek people good. Albanians no good.” They still remember Ali Pasha here, the Albanian ruler who once was the cruel master of this Greek province, Epiros, until the Turks had him killed. But by then (in 1821) he was 82...

'See you next year”, the woman said. “See you next year”, I echoed her, before walking down the path and out of her life.

Read also my other blogs on Greece, "Preveza", "Close encounters of various kinds"

zondag 30 augustus 2009

Greece I - Preveza


It is the language I am battling with. This is the first time I feel illiterate in Europe! Anywhere else – even in Eastern European countries, I guess, though I didn't visit many – you can at least make out SOMETHING, at least read the letters, even if you don't understand the meaning. But here, in the cradle of our civilisation – so I keep telling myself – nope! I try desperately to learn the Greek alphabet... and keep exercising on shop windows, signs, cash receipts – even the firebrigade's headquarters. I was quite proud to be able to make out “pyros” at the beginning of a very long word, but then I got into trouble.

Why do they have to make such long words? Yes, once you can read them, you can often cut them into separate parts. But how to do this when you are reading like a 5-year old? Yachts are good for learning to read – because they have more or less obvious names. Nicolas. Gogo. Konstantin.There even was a Kassandra... Not sure how to take that, by the way. You wouldn't your boat to end like her, would you?

Some shop windows are easy. “Optika”, I know that one! I also could make out “Orthopedi”-something. But there are some signs, I can't make head or tail of them. But then, how to learn to spell a language which has six ways of writing the sound ee? Some languages have diphtongues, but in Greek the combination of two letters sometimes is the equivalent of another one completely different – can you still follow me? And then, they have even two languages, let's say “classic” Greek and spoken Greek – and the two have nothing in common. According to my Lonely Planet, more often than not a baker will be called artopoieion on the shop sign, but if you ask someone for a baker, you should use the word fournos- which has a far more familiar ring to it.

I will have to learn some Greek, at least. For though quite a few people speak reasonably well English (the young receptionist who worked in this hotel yesterday spoke it even remarkably well), some others – like the owner of this hotel – have no English at all, let alone any other foreign language . And I saw signs like “I speack English, Wir Deutsch sprechen”, “airlaine tickets”, etc.

Oh well. They do their best. Unlike those French tourists, who asked me in French where I had bought the ice cream I was having. So I told them. In French, of course. They thanked me and never seemed to realise it was rather a coincidence that someone in the little town of Preveza spoke their language as I did.

You know what? I am going to sleep on it. For tomorrow... is another day.

Read also my blogs on Greece "Ioannina - and more" and "Close encounters of various kinds".

dinsdag 23 juni 2009

Gratis kranten: tot over tien jaar...?


Aan het discussiepanel*) lag het niet, maandagavond 22 juni. Die hadden er zin an. Aan de aanwezigen ook niet: zij discussieerden mee, bijna vanaf de allereerste minuut.



Maar wat we tegen ons hadden was de Warenwet, op het Parool Theater afgestuurd door een boze buurman, die constateerde dat het met de drankvergunning niet (meer) helemaal pluis was. En dus met onmiddellijke ingang verbood om bier en wijn te schenken - om over iets sterkers (wat waarschijnlijk niet eens in huis was) maar helemaal te zwijgen. Dus gingen bezoekers van tevoren een pilsje drinken bij De Buurvrouw (letterlijk) en verdwenen ze naderhand spoorslags naar het café op de hoek van de Pieterspoortsteeg. Niks meer gezellig naborrelen en -praten. Ja, het gebeurde wel, maar in de kroeg. En dat is toch anders.

Er was nog een tweede vijand, zo mogelijk nog sluipender: de hitte. Iemand had de verwarming laten aanstaan. En al werd die door de dienstdoende vrijwilliger die avond meteen uitgedraaid, en al stond de deur lange tijd open: het wilde niet echt koeler worden in het piepkleine, volle zaaltje. Dat deed mensen tussentijd vertrekken, helaas.

Toch was het een boeiende avond, zo verzekerden verschillende deelnemers me na afloop. Ook al ging het gesprek - het onderwerp was: effecten en toekomst van de gratis kranten, na tien jaar - in eerste instantie meer over commercie dan over journalistiek en al hadden niet alle aanwezigen het onderwerp goed meegekregen (het stond toch overal duidelijk aangekondigd, maar dat is kennelijk niet voldoende; weer een les geleerd).

Zoals gezegd: Metro en Sp!ts waren die dag allebei 10 jaar oud en vierden dat met een jubileumnummer. En De Pers? Zou de derde gratis krant - die alle andere deelnemers roemden om z'n kwaliteit en leesbaarheid, maar waarbij iedereen even zorgelijk keek zodra het over de toekomst ging - ook de tien jaar halen. 'Makkelijk', zei De Pers-uitgeverBen Rogmans met zijn onverstoorbare optimisme. 'Wel de vijftien en de vijfentwintig ook.' En hij schotelde ons een van zijn fameuze rekensommetjes voor - als a, als b, als zoveel procent zus, als zulk een aandeel zo, dan grootse toekomst. Geen twijfel mogelijk.

DAG - een uitgave van de Volkskrant - heeft de strijd al eerder opgegeven en bestaat alleen nog online, met een redactie van vijf mensen. Ex-hoofdredacteur Bob Witman legde uit het vooral de (advertentie)crisis was die de vierde gratis krant in Nederland genekt heeft. Alle gratis kranten mikken bovendien op een vergelijkbaar, jong publiek - op al diegenen die niet meer voor een krantenabonnement willen betalen. Dankzij die gratis kranten, onderstreepte wetenschapper Piet Bakker, zijn er wel een miljoen mensen in Nederland die geregeld een krant lezen, terwijl ze dat anders niet zouden hebben gedaan. Hij trok de vergelijking met Duitsland en Noorwegen, waar geen gratis kranten zijn: 'Daar zitten studenten, als ze van a naar b moeten, gewoon twintig minuten uit het raam te kijken.'

Bakker heeft echter niet geconstateerd dat mensen een gratis krant gebruikten als een soort 'opstapje' naar een betaald abonnement. Voor de jongere generaties is het óf niet, óf gratis.

Veel meer nog dan betaalde kranten moeten de gratis dagbladen de kosten drukken. Ze werken dan ook met piepkleine redactietjes - hoewel ook Piet Bakker daar niet zo van onder de indruk was, 'want op grote redacties werkt het merendeel van al die redacteuren voor de zaterdagkrant, of voor één van de vele bijlagen.' Ondanks de kleine redacties houden daarom ook de gratis kranten wel degelijk de kwaliteit hoog, zeiden de hoofdredacteuren om 't hardst. En ze publiceren lang niet alleen ANP-nieuws. 'Betaalde kranten publiceren net zoveel nieuws van de persbureaus, alleen zetten ze daar "van onze verslaggever" boven...', grapte het panel. Bart Brouwers (Sp!ts): 'Wij brengen zelfs veel buitenlands nieuws. Zo hebben wij als enige een verslaggever naar Liverpool gestuurd om te zien hoe Arriva daar met agressie omgaat. Dat heeft niemand anders.'

Wel moeten er voortdurend keuzes worden gemaakt. Een eigen correspondentennetwerk is bijvoorbeeld uitgesloten. Ben Rogmans: 'Wij mogen de stukken overnemen van een Robert Fisk van The Independent, dat is de beste correspondent in het hele Midden-Oosten. En we hebben afspraken met The Economist, The Guardian en The Atlantic Monthly, dat levert héle goeie stukken op.' Dat je op die manier de 'Nederlandse invalshoek' mist - zoals de verslaggever van NRC Handelsblad vanuit de zaal opmerkt - vinden ze geen van allen een punt. En dat de journalistiek een functie zou hebben als pijler van de democratie, zoals, eveneens vanuit de zaal, Paul Arnoldussen van Het Parool opmerkte, lijken ze allemaal een beetje overdreven te vinden.

Zoals bij eerdere debatten dient ook nu de vraag zich aan: is het einde van het krantentijdperk in zicht? In dat opzicht is Piet Bakker nog het meest optimistisch van allemaal: 'Kranten bestaan al vierhonderd jaar. Ze zijn bestand gebleken tegen de radio, tegen de televisie, ze zullen ook bestand blijken tegen internet. Al worden ze minder gelezen, ze zijn nog lang niet weg!'


*) Het panel: Ben Rogmans (De Pers), Piet Bakker (Uva en Hogeschool Utrecht), Bart Brouwers (Sp!ts), Bob Witman (DAG), met mijzelf als discussieleider. Robert van Brandwijk van Metro vierde net die dag het 10-jarig bestaan van zijn krant en kon daarom niet aanwezig zijn. Het debat, georganiseerd door vakblad De Journalist, was een van de maandelijkse co-producties met Het Parool.

ShareThis