Follow me on Twitter

Posts tonen met het label vriendschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vriendschap. Alle posts tonen

dinsdag 28 oktober 2008

Taductruus


Veel is al gezegd en geschreven over Truus.

Ze gaan grotendeels - hoewel niet uitsluitend - over Truus' leven als vertaalster, over Traductruus.

Maar ze was natuurlijk zoveel meer. Daarom hier toch nog een paar persoonlijke woorden. Ik heb er wat tijd voor nodig gehad - onder andere om het beeld van een doodzieke en stervende Truus, weg te duwen en te vervangen door dat van een zeer levende Truus. En ook om te beseffen dat het gemis niet met een paar weken ophoudt. Ik nam haar misschien teveel for granted omdat ze er altijd was, omdat je altijd op haar kon rekenen. Tot die ene dag, toen opeens alleen haar lichaam er nog was en we niet meer tot 'de echte Truus' konden doordringen.

Eerst nog, tegen beter weten in, het gevoel: "Het komt weer goed. Ze wordt beter." Het kwam niet goed. Ze werd niet beter.

En nu missen we haar. Ik mis haar. Bij Magna Voce, het koor waarin ze al jaren trouw haar altpartij zong en waar ze me - ook alweer ruim zeven jaar geleden - mee naar toe sleepte. Ik mis haar op de stoel tegenover me, bij het zingen, haar goede-verstaander-blikken; en bij het naar huis gaan - telkens is er even een 'pang' op de plek waar we meestal nog wat napraatten. Ik mis haar wanneer ik dingen van haar tegenkom. Laatst nog fietste haar rugzakje voorbij... Zoals ik mijn andere vriendin Marianne - die nota bene stierf toen ik met Truus in Rome was - mis op specifieke plekken en momenten, zo komt ook Truus op de meest onverwachte ogenblikken tevoorschijn.

Ze kon van die binnenpretjes hebben, waarvan ze je met glimogen deelgenoot maakte. Ze bedacht gekke dingen, zoals de 'cactus' (komkommer+cocktailprikkers in een potje)waarmee 'onze' Wybe (in 'Mein kleiner grüner Kaktus') zijn bas-solo zong - tot groot vermaak van het publiek, dat om herhaling vroeg.

Geregeld zei ze: "Ik heb geen mooi karakter", en dan kwam er een vanne waar je "U" tegen zei. En waar ik doorgaans vreselijk om moest lachen. Vaak zei ze hardop wat anderen slechts durfden te mompelen. Dat werd haar niet altijd in dank afgenomen (en soms juist wel), maar het zorgde voor de vaak noodzakelijke duidelijkheid. Nee, op haar mondje gevallen was ze niet - al benoemde ze soms de dingen omdat ze het nodig vond, en niet omdat ze het zo graag wilde. En ze was een stuk kwetsbaarder dan ze wilde laten zien.

Ach. helemaal weg is ze niet en zal ze nooit zijn. Soms hebben we nog wel eens een goed gesprek.

Zie ook mijn blog over Marianne (20-04-2008)

zondag 20 april 2008

Marianne


Mijn loopmaatje – oud-collega, vriendin vooral – is er niet meer. Eigenlijk had ze al een tijdje niet hardgelopen: eerst was het een blessure die haar ervan weerhield; toen bleek haar conditie in snel tempo af te nemen. En binnen de kortste keren lag Marianne in het OLVG, met de diagnose darmkanker. Eerst leek het nog beheersbaar; opgewekt zei ze: ‘Volgend jaar doe ik weer mee.’ Maar bij een volgend bezoek, toen ik gewild-optimistisch iets zei over mogelijke behandelingen, hernam ze me, bijna streng, met die ongelooflijke nuchterheid van haar: ‘Nee, ik word niet meer beter.’ Daarvoor waren de uitzaaiingen te groot, te talrijk. De chemotherapie had slechts als doel de pijn te verlichten en de tijd te rekken.
De herinneringen gaan ver terug. We hebben veel gedeeld – niet alleen het vak, niet alleen het lopen, we hadden ook een gedeelde liefde: Azië. Voor mij slechts een vakantie- of werkliefde, maar Marianne ging er echt wonen. Na tien jaar op de buitenlandredactie van de Volkskrant, nam ze – in 1979 – ontslag, om eens aan de andere kant van de ‘barrière’ te staan. Ze trad in dienst bij UNDP, standplaats Bangkok, van waaruit ze heel Zuid-Azië ‘coverde’. En ook dat deed ze gedreven, enthousiast, zorgvuldig. Ze leerde Thais en hoewel ze er vanaf zag om ook het schrift onder de knie te krijgen, was haar gesproken Thais in elk geval goed genoeg voor het dagelijks leven. Met ontzag hoorde ik haar onderhandelen met een taxichauffeur; het scheelde mij vele dollars. Welke expat doet dat haar na?
Maar de journalistiek bleef trekken. Bij de Volkskrant heerste destijds de traditie dat wie wegging, niet terug mocht komen, of slechts na een lange periode van vagevuur. Zo’n zeven, acht jaar bracht ze door in ballingschap bij het Haarlems Dagblad. Daarna kon Marianne haar oude plek weer innemen op de buitenlandredactie van de Volkskrant en daarvan is ze nooit meer weggegaan. Ze vond het leuk om mee te werken aan de website van de Volkskrant en zich daarvoor nieuwe technieken eigen te maken – al protesteerde ze hoofdschuddend op de dag dat Bokito voorpaginanieuws werd. Alsof er geen belangrijker dingen in de wereld waren… Ook mopperde ze wel eens op collega’s, omdat zij – als alleenstaande zonder kinderen – geacht werd altijd maar dienst te kunnen doen tijdens schoolvakanties en andere familiefeestelijkheden. Ook wanneer ze eigenlijk iets anders gepland had. We hebben eens een Dijkenloop gedaan – 10 kilometer langs de Waal in de hitte van een nazomermiddag – terwijl Marianne diezelfde avond naar de krant moest. Na de finish dus meteen doorrennen naar de bushalte – en dan maar giechelend omkleden in het bushokje. Thuisgekomen moest Marianne gauw-gauw douchen en dan snel op de fiets naar de Wibautstraat… ‘k Zou het haar niet na doen.
Collega’s hebben al herhaaldelijk gewezen op haar bekwaamheid. Marianne genoot er ook van dat ze het vak tot in de toppen van haar vingers te beheersen. ‘Het is zo fijn dat je zoveel kunt, als je al zolang in ’t vak zit’, zei ze wel eens. Ze genoot van veel dingen. Van haar reizen, van haar volkstuintje ook – dat eindelijk, eindelijk ‘af’ was, precies zoals zij het wilde. Dat was een paar weken voordat haar ziekte werd ontdekt. Ze had zo gehoopt, nog een keer naar Florence te kunnen. Dat was haar niet meer gegund.

ShareThis