Follow me on Twitter

zondag 20 april 2008

Marianne


Mijn loopmaatje – oud-collega, vriendin vooral – is er niet meer. Eigenlijk had ze al een tijdje niet hardgelopen: eerst was het een blessure die haar ervan weerhield; toen bleek haar conditie in snel tempo af te nemen. En binnen de kortste keren lag Marianne in het OLVG, met de diagnose darmkanker. Eerst leek het nog beheersbaar; opgewekt zei ze: ‘Volgend jaar doe ik weer mee.’ Maar bij een volgend bezoek, toen ik gewild-optimistisch iets zei over mogelijke behandelingen, hernam ze me, bijna streng, met die ongelooflijke nuchterheid van haar: ‘Nee, ik word niet meer beter.’ Daarvoor waren de uitzaaiingen te groot, te talrijk. De chemotherapie had slechts als doel de pijn te verlichten en de tijd te rekken.
De herinneringen gaan ver terug. We hebben veel gedeeld – niet alleen het vak, niet alleen het lopen, we hadden ook een gedeelde liefde: Azië. Voor mij slechts een vakantie- of werkliefde, maar Marianne ging er echt wonen. Na tien jaar op de buitenlandredactie van de Volkskrant, nam ze – in 1979 – ontslag, om eens aan de andere kant van de ‘barrière’ te staan. Ze trad in dienst bij UNDP, standplaats Bangkok, van waaruit ze heel Zuid-Azië ‘coverde’. En ook dat deed ze gedreven, enthousiast, zorgvuldig. Ze leerde Thais en hoewel ze er vanaf zag om ook het schrift onder de knie te krijgen, was haar gesproken Thais in elk geval goed genoeg voor het dagelijks leven. Met ontzag hoorde ik haar onderhandelen met een taxichauffeur; het scheelde mij vele dollars. Welke expat doet dat haar na?
Maar de journalistiek bleef trekken. Bij de Volkskrant heerste destijds de traditie dat wie wegging, niet terug mocht komen, of slechts na een lange periode van vagevuur. Zo’n zeven, acht jaar bracht ze door in ballingschap bij het Haarlems Dagblad. Daarna kon Marianne haar oude plek weer innemen op de buitenlandredactie van de Volkskrant en daarvan is ze nooit meer weggegaan. Ze vond het leuk om mee te werken aan de website van de Volkskrant en zich daarvoor nieuwe technieken eigen te maken – al protesteerde ze hoofdschuddend op de dag dat Bokito voorpaginanieuws werd. Alsof er geen belangrijker dingen in de wereld waren… Ook mopperde ze wel eens op collega’s, omdat zij – als alleenstaande zonder kinderen – geacht werd altijd maar dienst te kunnen doen tijdens schoolvakanties en andere familiefeestelijkheden. Ook wanneer ze eigenlijk iets anders gepland had. We hebben eens een Dijkenloop gedaan – 10 kilometer langs de Waal in de hitte van een nazomermiddag – terwijl Marianne diezelfde avond naar de krant moest. Na de finish dus meteen doorrennen naar de bushalte – en dan maar giechelend omkleden in het bushokje. Thuisgekomen moest Marianne gauw-gauw douchen en dan snel op de fiets naar de Wibautstraat… ‘k Zou het haar niet na doen.
Collega’s hebben al herhaaldelijk gewezen op haar bekwaamheid. Marianne genoot er ook van dat ze het vak tot in de toppen van haar vingers te beheersen. ‘Het is zo fijn dat je zoveel kunt, als je al zolang in ’t vak zit’, zei ze wel eens. Ze genoot van veel dingen. Van haar reizen, van haar volkstuintje ook – dat eindelijk, eindelijk ‘af’ was, precies zoals zij het wilde. Dat was een paar weken voordat haar ziekte werd ontdekt. Ze had zo gehoopt, nog een keer naar Florence te kunnen. Dat was haar niet meer gegund.

vrijdag 7 maart 2008

Scaphandre au pied bouilli


Il y avait du monde, à la Maison Descartes (Institut Français) d’Amsterdam ! J’aurais jamais cru que « Le scaphandre et le papillon » attirerait tant de gens. Des amis, des inconnus. Beaucoup avaient vu le film, certains avaient lu le livre qui, dix ans après sa première parution en France, sort en traduction néerlandaise. Et tous (ou presque) avaient été bouleversés par l’histoire, par cette incroyable ténacité d’un homme qui entend, voit, sent tout – et qui ne peut rien. Sauf cligner de l’œil gauche. Et écrire un livre dans sa tête. C’est inimaginable : travailler, puis mémoriser un chapitre après l’autre, pour les « dicter » ensuite des heures durant rien qu’en clignant de l’œil, lettre par lettre – cela tient du prodige. Encore plus si on tient compte de l’etat physique de cet homme : trachéotomie, sondes gastrique et urinaire…

Elle avait du mérite aussi, Claude Mendibil (« Je suis nègre de profession »), de capter ces chapitres lettre par lettre, de travailler pendant des mois dans cet hôpital triste de bord de mer, pénétrant dans l’intimité d’un homme, Jean Dominique Bauby, qui, en bonne santé, ne ressemblait en rien à celui qu’elle voyait, immobile, sur son lit ou dans son fauteuil roulant. Bon vivant, homme du monde, volage, superficiel, il aimait les femmes et les voitures de sport – le stéréotype du journaliste speedé mais doué, qui avait participé à toutes sortes d’aventures journalistiques (dont le Matin de Paris) avant de devenir rédacteur en chef d’Elle. Et ce qu’elle trouvait là, c’était un « légume », comme le (à tort) dans le jet set parisien.

Mon entrée, à la Maison Descartes, fut pour le moins remarquée. Boîtant sur mes béquilles, soutenue par des amis,Jacqueline en fauteuil roulant montant les marches (hautes !) sur le cul et me hissant de la même manière peu élégante sur l’estrade où j’allais conduire l’interview de Claude Mendibil… Enfin, c’était une façon comme une autre de m’adapter à la situation. On parle d’un grand handicapé ? Je m’y prépare en me créant un petit handicap, temporaire de surcroît, en renversant habilement une marmite d’eau bouillante sur le pied gauche. Ce pied cuit au bain marie (pied bouillu, pied foutu…) m’avait permis de revoir le service des Urgences d’un grand hôpital parisien. Afin de me remettre en mémoire que l’hôpital, ça consiste en grande partie à attendre. Attendre qu’on veuille bien s’occuper de vous, qu’on daigne vous donner des explications, qu’on vous traite en adulte.

Tout cela, il l’a décrit, Jean Dominique Bauby. Ses observations ne sont guère tendres pour le milieu hospitalier. Médecins, infirmiers et autres auxiliaires médicaux : la plupart de ceux qui peuplent son livre sont compétents sur le plan technique, certes, voire savants, mais sur le plan humain il y a beaucoup à redire. Comme cet ophtalmo qui lui recoud la paupière droite en racontant ses vacances de ski en guise d’explication. Ou comme cet « abruti d’infirmier » qui éteint la télé au milieu d’un match de foot, en lançant un « bonne nuit ! » sans réplique possible. En admettant qu’on soit en état de répliquer… Echappent à ce tableau sombre, outre des infirmières dévouées, la kinési, Brigitte, et surtout l’orthophoniste, Sandrine.

C’est elle, Sandrine, qui lui apprend, à Jean Do et à son entourage – et à Claude – de se servir de cet alphabet « e-s-a-r-i-n-t-u-l » qui commence par les lettres les plus fréquentes et termine par les moins usuels. « E-s-a… », on l’entend tout au long du film de Julian Schabel, et du documentaire de Jean Jacques Beneix. Et cela va étonnamment vite à la fin, d’autant que les familiers du malade – et Claude en particulier – finissent par deviner bon nombre de mots avant qu’ils ne soient entièrement épelés. On voit – on le lit aussi, entre les lignes – qu’entre Jean Do et Claude s’installe une amitié, voire « un amour, puisque c’est cela que vous voulez m’entendre dire… » Qu’elle le veuille ou non, il lui fait partager son intimité, se livre à elle corps et âme. Elle essuie sa salive, aspire sa trachéotomie, lui essuie le front. Il lui « raconte » sa vie privée, puis s’enquiert de ce qu’elle fera le soir, quand elle aura quitté l’hôpital. Ce furent deux, trois mois très intenses.

Et puis, le travail est fini, Jean Do est transféré à Paris et tombe victime d’une infection qui fait que Claude n’a pas le droit de le revoir. Il est mort dix jours après la parution du livre. Elle n’a pas pu lui faire ses adieux. Le chagrin lui est resté. Et, tout de même, le souvenir de cette histoire d’« amour ».

Zie ook http://jacqwess.blog.lemonde.fr/

dinsdag 19 februari 2008

POOT


Zo kreeg ik dan toch de kans om een Parijs ziekenhuis van binnen te zien, voor 't eerst na jaren. En niet zomaar een ziekenhuis, nee, het Hôpital Européen Georges Pompidou, s'il vous plaît; wat je moet doen om Hôpital Européen te worden is niet duidelijk, maar het maakt indruk. 'n Nog tamelijk nieuw (jaar of 5), groot ziekenhuis, aan de buitenkant glimmende torens, van binnen zijn de Urgences zoals alle spoedeisende hulpafdelingen, waar dan ook: grijs en grauw, met zwaaideuren die al zwarte slijtplekken vertonen en ongemakkelijke stoelen.

Ik hinkelde naar de receptiebalie en stak m'n linkervoet omhoog toen de receptioniste vroeg wat er aan de hand was; ik had wel een brief van een SOS-Médecins-arts bij me, maar die was zoals alle brieven van artsen: onleesbaar. "Oh!" zei de receptioniste toen ze m'n voet zag en haalde snel een plastic OK-slofje. Dan LEEK het tenminste niet zo erg.

"Oh!" zei ook de verpleegkundige die de intake deed. "Dat mag je een blaar noemen..." Indeed, indeed: zo'n 8 x 5 cm, en zeker een vinger dik. Plus wat kleinere eromheen. "Hoe is dat gebeurd?" "Pan met kokend water", zei ik. "Bleef aan het stoomdeel van de pan hangen toen ik dat wilde optillen omdat de broccoli gaar waren." Voet meteen mee gekookt, 2 vliegen in 1 klap.

Op de afdeling traumato(logie) van de Urgences mocht ik op een brancard wachten. En wachten. En wachten. En wachten. "Oh!" zei verpleegkundige C. toen ze een kijkje kwam nemen. "Dat ga ik openmaken, wees niet bang, het doet geen pijn." Maar voorlopig was ze elders bezig, met een mevrouw die eruit zag of ze door haar man in elkaar getrimd was - of misschien écht van de trap was gevallen. "Jij denkt dat mijn man me in elkaar heeft gemept", zei de paarse blik van de vrouw toen ze in een rolstoel langskwam. "Ja", zei mjn blik terug. "Sorry."

Twee jonge meiden - beginnende externes (co-assistenten), schat ik - stonden te kleppen over wat zo te zien meer met jongens (jonge dokters?) te maken had dan met hun werk/studie. De rest van de tijd liepen ze wat doelloos rond, net als een jonge Black (het woord Noir wordt niet meer gebruikt in het weldenkende deel van Frankrijk). Af en toe brachten ze een dossier of een röntgenfoto van de ene kamer naar de andere. Soms keken ze wezenloos voor zich uit. Ze moesten nog veel leren.

Een (leerling?-) ziekenverzorgster liep de ene behandelkamer in en de andere uit, bracht instrumenten rond (voor zover die er nog waren: op deze afdeling wordt gestolen als de raven, zou Zuster C. me later vertellen) en keek naaar de mensen aan 't werk: vooral C. en een jonge interne, een arts-assistent in opleiding. Deze kwam op me af, gaf me een hand en ik verwachtte dat hij zich zou voorstellen, maar hij zweeg en zei toen: "Votre nom, s'il vous plaît?" "Jacqueline Wesselius", zei ik. "En u?" Weer een aarzeling. En toen: "DOCTEUR Z..." OK. Bonjour DOCTEUR Z... "Brûlure de 3e degré", stelde hij vast en zei wat er ging gebeuren - maar dat wist ik al - nadat ik eerst weer over die pan moest vertellen.

Intussen werd er een oude dame op een brancard binnengereden, Madame J. Discretie of privacy zijn met deze muren van bordkarton ver te zoeken. Madame J. brulde de hele Urgences bij elkaar. "Heupbreuk", zei C. later. "Ze heeft wel pijnstillers gekregen, maar ze beweegt de hele tijd, geen wonder dat ze pijn heeft." Ik hoorde mensen inpraten op de gillende Madame J. Het hielp niet. "Maman!" riep ze. "Appelez un docteur! Au secours! Maman!"

"U mag ook best gillen", zei C. tegen mij. "Als u maar niet Maman roept. Papa dan maar, of desnoods Frère Jacques." Ik heb 't bij een enkel beschaafd piepje gehouden. Ze deed 't ook érg vakkundig en bijna pijnloos. Dikke pluim voor C!

Zij mocht zich nu over Madame J. ontfermen, een redelijk ervaren externe kwam een soort anamnese doen. Leek me een achterstevoren procedure, maar och. Aardige jongen, E. En ach ja, zoals een van z'n soort-/lotgenoten 't ooit formuleerde toen ik protesteerde tegen de zoveelste anamnese: "Ik moet 't toch ook leren..."

E. weer weg om een recept te schrijven, en te laten ondertekenen door de interne, ik weer wachten. En mijn vriendin, die me heel zoet hierheen had gebracht, zich maar afvragen wat ze met me aan 't doen waren. Er liepen wel veel mensen rond, maar slechts enkelen bleken nuttig. En die zaten tot over hun oren in 't werk.

Drie uur na binnenkomst stonden we weer buiten, met een recept, een brief voor de huisarts, duidelijke instructies en een prachtig verpakte poot. En twee rammelende magen.

Morgen - lang leve de doorlopende reisverzekering en de ANWB - met een "ligtaxi" naar Amsterdam. Maar eerst komt nog 'n verpleegkundige 't verband verversen. Michael Moore heeft misschien wel gelijk, met z'n "Sick"-film. 't Kost wat (tijd), maar dan héb je ook wat.

dinsdag 18 december 2007

Bieb 2


Het is de hoogste tijd om te gaan slapen - lokale tijd Vancouver: 1.22... - maar de indrukken zijn nog vers en anders vergeet ik ze. Na 2 1/2 jaar een nieuw bezoek aan de Vancouver Public Library. Ik wist hem zowaar nog zonder al te veel moeite te vinden. Het gebouw (1995) was destijds nogal controversieel, schrijft de Lonely Planet. Hm. Valt nogal mee, zou ik zeggen, zeker 12 jaar later.
Destijds was ik er dol enthousiast over - niet alleen over het gebouw, de indeling, maar ook over de collectie, de gebruiksvriendelijkheid, de uitgebreide informatie die je op alle etages krijgt. Ik was heel benieuwd hoe ik er nu tegenover zou staan, temeer daar deze Central Branch van de VPL als model schijnt te zijn beschouwd voor de Centrale OBA in Amsterdam.
Inmiddels is in Amsterdam de nieuwe OBA op 't Oosterdokseiland al een half jaar in werking - en behalve dat sommige stoelen al scheurtjes vertonen, en dat er over het functioneren van die bieb wel 't een en ander te zeggen is, vind ik ook dat een prachtig gebouw.
Maar de VPL wint 't ruimschoots. De voornaamste reden: overal zijn boeken, je ziet ze zodra je binnenkomt, op elke etage staan ze voor het grijpen. Overal displays met de laatste boeken, die je kunt doorbladeren, lezen, zelfs lenen. Brochuretjes met lijstjes boeken over - ik noem maar wat: New York, Venetie, de geschiedenis van Canada. Een uitstallinkje met boeken van en over Norman Mailer. Een muur met foto's van dit jaar overleden schrijvers (en journalisten), onder wie Hrant Dink en David Halberstamm. Alle informatieboxen op alle etages (pal tegenover de roltrap, kan niet missen) zijn permanent bevrouwd/bemand. En het is mijn ervaring dat ze efficient, grondig en vriendelijk helpen (en ze hebben geen apenpakjes aan...).
Overal ook computers: sommige alleen met de catalogus, andere met toegang tot internet. Gratis, maar beperkt tot 1 uur - al kun je dat zonder probleem verlengen (enige minpunt: op de begane grond staan die computers op hoge desks en er zijn geen stoelen bij... op de hogere etages, ontdekte ik later, kun je trouwens wel zitten).
De bovenste etage is geheel gereserveerd voor kranten: 200 kranten, uit een vijftigtal landen. Papier. Natuurlijk kun je de meeste op internet raadplegen, maar hier liggen ze keurig geprint vanuit pdf-format - en tamelijk up to date, in elk geval, op deze maandag, tot en met het afgelopen weekend. Wat een werk moet dat zijn... Een enorme hoeveelheid magazines heeft de bieb verder, op allerlei gebied. Allicht zijn er ook dvds en cds - op de arts etage, daar waar ze logischerwijs horen.
De main floor is bestemd voor de meest gangbare boeken: fictie, recent aangekocht, van John Grisham tot een nieuwe uitgave van Lord Byron. En alle mogelijke bladen: opiniebladen, publieksbladen, you name it. Met, ook op die zelfde begane grond, een enorme Oosterse afdeling, met publicaties in 't Mandarijn en Cantonees, maar ook in 't Vietnamees en 't Thais, bijvoorbeeld. Vancouver is niet voor niets de grootste Aziatische stad buiten Azie...
Kortom, ik verliet de VPL moe, maar gelukkig. Met recht een voorbeeld voor "onze" bieb - die toch nog eens terug zou moeten naar Vancouver. Daar ben ik nu op drie verschillende tijden en dagen geweest. En het was er altijd druk. Zo hoort het.

maandag 17 december 2007

Macht



Tja, terwijl mijn collega’s zwoegen, ben ik aan ’t flierefluiten in wat we wel De Nieuwe Wereld noemden. En wat nu soms iets heeft van vergane glorie. De trein (De Trein: er gaat er 1 per dag) van Vancouver naar Seattle is superdeluxe - maar het is wel een luxe van dertig jaar geleden. Het is de wet van de remmende voorsprong: dingen beginnen in duigen te vallen.
Maar de media mogen er wezen: elk gehucht heeft z’n plaatselijke krant, die trots in z’n eigen bak op het stationnetje prijkt. Kom je de trein uit, valt je oog meteen op The Bellingham Post of The Mount Vernon Argus. De berichten reiken vaak niet verder dan de county waarin de krant wordt verspreid, maar ze worden gebracht met een professionaliteit die bewondering afdwingt. Zoals trouwens ook de liftgirl in de Space Needle van Seattle met alle ernst van de wereld roept: 'Hi, my name is Heather and I'll be your elevator operator during the next 82 (sic) seconds...' Dan volgt de snelheid waarmee we opstijgen, het aantal feet dat we per seconde afleggen en ze eindigt met: 'Hebt u nog vragen?' Even professioneel is de local tv: al gaat het om een onnozele aanrijding op Freeway zus-en-zo, het wordt gebracht met alle ins en outs, en met een seriousness die soms iets komisch heeft, maar toch ook respect afdwingt. Wie 't kleine niet eert...

Voorpaginanieuws in de landelijke media, althans in Canada, was vorige week de val van een press baron. Lord Conrad Black, Canadees van geboorte, begon zijn loopbaan als journalist bij een plaatselijke krant en eindigde als baas van een internationaal persimperium (Hollinger), met de Britse dagbladen The Daily Telegraph en The Sunday Telegraph en het Amerikaanse Chicago Sun Times als kroonjuwelen. In 2003 werd Black er door zijn eigen aandeelhouders uitgegooid: hij zou 32 miljoen US-dollar achterover hebben gedrukt. Op 11 december j.l. werd Black in Chicago veroordeeld tot 6 ½ jaar gevangenisstraf wegens fraude en ’t tegenwerken van justitie. Een nog grotere straf was misschien dat de officier van justitie verklaarde nooit van Conrad Black te hebben gehoord voordat hij deze zaak kreeg toegewezen. Hij begreep dan ook niets van alle media-aandacht... Vergane glorie indeed.
Naar Nederlandse verhoudingen vertaald: het is toch alsof ex-PCM-topman Theo Bouwman persoonlijk verantwoordelijk werd gesteld voor het wegsluizen van de miljoenen die het Britse Apax uit PCM haalde. Of, beter misschien nog, alsof John de Mol in de bak belandde na zijn eigen bedrijf te zijn uitgetrapt.
Maar in Nederland zou zowel de macht als de val van een Lord Black ondenkbaar zijn. In ‘onze’ media gaat het meestal om gedeelde dan wel om symbolische macht. En een journalist kan hier bekend worden, maar machtig? Een imperium opbouwen? Kom nou... Doe maar gewoon...
Hier - vooral aan de Amerikaanse kant van de grens - is alles 't grootste, 't duurste, het nieuwste, het enige... Liefst het grootste van de wereld, maar als dat niet kan, doen we 't met minder. Iemand vroeg de liftgirl in Seattle Space Needle iets over de relatieve hoogte van het gebouw. Antwoord: 'It is the highest West of the Mississippi'... Tja...

woensdag 14 november 2007

Baardmannen


AD.nl - Binnenland - Spion op elke nieuwsredactie

In Frankrijk luidt de bijnaam van spionnen 'barbouzes' oftewel baardmannen (die op de foto hiernaast is al met pensioen...). Gedurende de vele jaren dat ik in Parijs woonde (waarvan grotendeels als correspondent) heb ik af en toe - net als mijn collega's - wel eens aanvallen gehad van spionitis. Dan zag ik bij wijze van spreken overal kleine baardmannetjes rondlopen; ik hoorde ze vooral in de telefoon (e-mail bestond nog niet...).

Soms was dat terecht. Als correspondent moest je nu en dan een bezoek afleggen aan wat toen de Renseignements Généraux (RG, Algemene Inlichtingen) heette. Veiligheidsdiensten bestaan er in Frankrijk in soorten en maten, ze beconcurreren elkaar en ze veranderen voortdurend van naam.
Ik herinner me één zo'n bezoek, aan een zekere monsieur Martini. Als echte Corsicaan sprak hij de laatste i van zijn naam niet uit, die klonk dus als Martine. Er was een probleem met de verwarming - ik herinner me niet meer of dat het gevolg was van een staking, of dat de baardmannen hun zaakjes zelf niet op orde hadden. Hoe dan ook, het was ijskoud in het bureau van Monsieur Martine, hetgeen hij niet naliet op te merken. Op een bepaald moment vond ik dat hij het wel érg vaak over de heersende kou had... en toen kwam de aap uit de mouw, of liever de whiskyfles uit de kast. Ik heb zijn aanbod vriendelijk doch beslist afgewezen en vond het tijd te vertrekken. Hij opgelucht: kon hij tenminste drinken zoveel hij wilde.

Later werd er thuis aan de deur gebeld. Er stond een verlegen jongeman op het portaal die zichzelf bekend maakte als 'Agent 812 van de Renseignements Généraux'. O, zei ik, maar daar ben ik pas geweest, bij Monsieur Martine. Maar komt u binnen. Nou, zei hij, dat was niet de bedoeling, maar hij zou het op prijs stellen als ik me op het bureau zou willen melden. Want hij was niet van de Renseignements Généraux van de staat, maar van die van de Préfecture de Paris. En die moesten toch ook weten wat voor vlees ze in de kuip hadden bij die buitenlandse correspondenten. Nietwaar? Ongetwijfeld, zei ik, maar wilt u echt geen kopje thee. Nee, dat mocht niet van zijn baas. En weg was de jongeman.

Verbijsterd over zoveel onbenul heb ik de Préfecture maar eens gebeld. Het klopte. Ik had inderdaad zojuist Agent 812 in ogenschouw mogen nemen. Waarom belt u niet gewoon om een afspraak te maken? vroeg ik zijn baas. Tja, daar hadden ze nog niet aan gedacht...

Waarschijnlijk stond (en sta) je als correspondent voor een (zelfs grote) Nederlandse krant heel laag op de ladder. Daar stuurden ze de beginnelingen op af. Heel wat professioneler verliep de spionage bij in onderzoeksjournalistiek gespecialiseerde bladen als Le Canard Enchaîné. Ofschoon, professioneel... De baardmannen kwamen er vermomd als loodgieters, sleutelmakers en tegenwoordig waarschijnlijk computerspecialisten... Maar telkens (althans heel vaak) werden ze ontmaskerd. Bij Le Monde ging het simpeler: met name Mitterrand (maar voor hem ongetwijfeld alle andere presidenten) liet gewoon de telefoon afluisteren van journalisten die hem het vuur aan de schenen legden. Echter, ook dat werd weer ontdekt.

Aan één kant is het om te huilen, dat dit soort praktijken voorkomen in 'ons soort' landen. Aan de andere kant maken de inlichtingendiensten zich er keer op keer onsterfelijk belachelijk mee. Hierbij geef ik ze een gratis advies: in plaats van journalisten af te luisteren, lees wat ze schrijven! Bekijk hun programma's! Daar leer je veel en veel meer van...

zaterdag 3 november 2007

Identiteiten


'Sinds ik in 1976 Libanon verliet om me in Frankrijk te vestigen, is me ik-weet-niet-hoe-vaak gevraagd, met de beste bedoelingen van de wereld, of ik me "vooral Frans" of "vooral Libanees" voel. Mijn antwoord luidt onveranderlijk: "Allebei!" Niet uit een behoefte aan evenwicht of rechtvaardigheid, maar omdat ik zou liegen als ik iets anders zou antwoorden. Wat maakt dat ik mezelf ben en niet een ander, is juist het feit dat ik op de rand van twee landen, twee of drie talen en verscheidene culturele tradities sta. Dat is precies wat mijn identiteit bepaalt. Zou ik authentieker zijn als ik een deel van mezelf afhakte?'

Zo begint 'Les identités meurtrières' (1998) van Amin Maalouf, een boek dat me al uit het hart gegrepen was toen ik het voor het eerst las, en waar ik dezer dagen - door alle discussies over de al dan niet bestaande, al dan niet multipele, Nederlandse identiteit(en) - vaak aan moet denken.

Maalouf geeft diverse voorbeelden, te beginnen met zichzelf: Libanees, dus verwant met de Arabische wereld, maar Christen - en zelfs katholiek - en opgeleid op Franstalige scholen (het protestante deel van zijn familie werd Engelstalig...), vertrouwd met Dumas en Dickens, die hij overigens voor het eerst last in Arabische vertalingen...

Ik zou mijn eigen voorbeeld eraan toe kunnen voegen: geboren, opgegroeid en later weer ouder geworden in Nederland, maar met bijna een kwarteeuw Frankrijk ertussen. Dáár heb ik gestudeerd, dáár was ik op een leeftijd waarop je vrienden maakt voor altijd, dáár heb ik de helft van mijn volwassen leven doorgebracht. 'Ben je meer Nederlands of ben je meer Frans?' is ook mij talloze keren gevraagd. Wel, allebei! En niet half-half, maar door elkaar heen. Als ik in Parijs aankom, kom ik thuis - maar hetzelfde gevoel heb ik in Amsterdam. Ik heb een deels calvinistische, deels 'rooie' opvoeding gehad (en mijn opa was een fellow traveler van de CPN), maar ik heb jaren en jaren gewoond in een katholiek land en ben vertrouwder met de katholieke feestdagen dan vele (ex) roomsen hier. Behalve met Frankrijk heb ik van kindsaf aan sterke (familie) banden met Canada. Ik ben er vaak geweest en ook die achtergrond bepaalt voor een deel wie ik ben. Het is een land waar ik me op m'n gemak voel, waar ik zou kunnen wonen - hetgeen niet verhindert dat ik, als ik over de 13 km lange Confederation Bridge tussen New Brunswick en Prince Edward Island rijd, opzwel van trots: 'Jongens! Hebben WIJ gebouwd! Hey! Hebben die kaaskoppen toch maar mooi voor elkaar gekregen!' zou ik dan willen roepen en 't liefst met de Nederlandse vlag gaan zwaaien. Alsof ik eigenhandig, steentje voor steentje, die brug daar heb neergezet.

Zo zou ik nog een tijd kunnen doorgaan. Je identiteit is als een mozaïek, waarin tal van verschillend gekleurde stukjes samen één geheel vormen. En waarin soms het ene deel(tje), soms het andere meer zichtbaar is, naar gelang de lichtval, de tijd van de dag, het humeur van de toeschouwer...

Een jaar of wat geleden interviewde ik de Britse schrijfster Marina Warner. Ze had toen net een roman gepubliceerd over... haar Italiaanse familie van moederszijde. Haar vaders familie had bovendien banden met de Caraïben - en zelf had ze een groot deel van haar jeugd doorgebracht in België. Warner vertelde me dat die samengestelde identiteit wel eens lastig was - want, vragen anderen, die zelf maar één dimensie van hun identiteit waarnemen, 'waar hoor je nu eigenlijk bij?'- maar tegelijkertijd heel nuttig was voor haar schrijverschap, omdat ze zowel van binnenuit als met meer afstand naar de dingen kon kijken.

Ook Maalouf beschouwt zijn meervoudige identiteit als een verrijking - sterker, hij wantrouwt degenen die willen dat mensen hun 'identiteit uitdragen' of iets dergelijks. In feite, waarschuwt hij, gaat het dan om slechts een deel van die identiteit, meestal de nationaliteit of de religie. Alsof die aspecten fundamenteler zouden zijn dan alle andere.

Het is wat we terugvinden in het huidige debat. En omdat ik zelf die eenduidigheid nooit heb gevoeld, verbaast mij eigenlijk bij sommige van mijn landgenoten (in brede zin) de felheid en vanzelfsprekendheid waarmee dat éne deeltje van de identiteit wordt opgeëist en tot 'enig ware' wordt verheven. Ook wie niet met één voet in een ander land staat, bestaat niet uit één stuk! En wie wel met beide voeten ergens anders staat - om welke reden dan ook - moet niet voor het blok gezet worden met de opdracht te 'kiezen'. Alsof het überhaupt mogelijk zou zijn een stukje van jezelf af te snijden. Wie denkt dat er maar één Nederlandse identiteit bestaat, is gek.

Mensen, lees Maalouf! In 2005 bracht De Geus een Nederlandse vertaling uit, onder de titel 'De moordende identiteiten'. Curieus genoeg lijkt er op Belgische sites vaker naar verwezen te worden dan op Nederlandse. Of misschien is het toch ook weer niet zo gek. Ik heb de indruk dat het boek alleen nog antiquarisch verkrijgbaar is, het staat niet meer op de site van De Geus. Maar dat moet toch zo herdrukt kunnen worden? De Geus, aan het werk! Het is nu, of nooit...

ShareThis