Follow me on Twitter

zondag 4 mei 2008

4 mei

4-mei
Maurits Koopman woonde in de Kromme-Mijdrechtstraat. Nadat de Duitse bezetters de anti-jodenwetten invoerden, was er eigenlijk nog maar één plek waar kinderen zoals hij ongehinderd konden spelen: de Amstel. De speeltuin was verboden terrein geworden, zoals zoveel andere plaatsen en activiteiten.

Maurits zwom vaak in de Amstel. Op een keer zag hij een jongetje dat bijna verdronk. Hij aarzelde niet,sprong in het water en bracht het jochie naar de kant. De moeder van het kind - wier man een NSB'er was - was Maurits zo dankbaar, dat ze hem aanbood iets terug te doen. Maurits vroeg haar een brief te schrijven waarin stond dat hij haar zoon gered had. Dat deed ze, eindigend met 'Heil Hitler!'

Herhaaldelijk redde de brief Maurits, zijn zusje Rita en hun ouders van deportatie. Elf keer, om precies te zijn. Maar de twaalfde keer was het effect uitgewerkt. Zo kwamen ze toch nog in Auschwitz terecht. Het verhaal had een half happy end. De kinderen overleefden Auschwitz. De ouders niet.

Dick Walda, schreef het op in 'Een huilbui van jaren', een van de vele boeken en boekjes die hij uitbracht over de oorlog - en de Rivierenbuurt. Ook vertelde hij dit verhaal tijdens de herdenking bij de Rozenoordbrug. De familie Koopman behoorde tot de 17.000 joden die voor de oorlog in de Rivierenbuurt woonden - en van wie er 13.000 vermoord werden, in Auschwitz en elders. 'Van de andere bewoners waren er wel die de joden hielpen', zegt Walda. 'Maar de meesten keken de andere kant op.'

Meer dan zestig jaar na dato zijn er gelukkig nog mensen die niet willen vergeten wat er toen is gebeurd. Of wat zich daarna voor soortgelijke dingen hebben afgespeeld. Ook nu weer zijn er veel naar de Rozenoordbrug gekomen: ouderen, jongeren, ouders met kinderen ook - maar ik mis een paar 'oude getrouwen', naar ik vrees om gezondheidsredenen.

Helaas zijn er ook die zich van 4 mei niets aantrekken. Tijdens de twee minuten stilte dendert het verkeer onverminderd over de A10. Het koor zingt er (onder leiding van Maarten Smit) niet minder mooi om (Reger en Schubert, o.a.). Petje af. Het is zó moeilijk om in de buitenlucht te zingen, en dan ook nog met het verkeer op de achtergrond...

Na afloop praten sommigen nog na in de speeltuin aan de Gaaspstraat. Broederlijk staat een invalidenwagentje daar naast het Kindermonument. Een paar straten verder, op het Merwedeplein, liggen ook bloemen bij het beeldje van Anne Frank. Hier eindigt mijn 'gedenkdag', die begon op de Nieuwe Ooster.

Overal kwam ik mensen tegen die ook aan 't herdenken waren. Iedereen met zijn eigen gedenktekens, zijn eigen herinneringen. Het schept een band.

woensdag 30 april 2008

Koninginnedag, in looppas



Het begon uiterst druilerig. Kil ook. Naar buiten? Hm... Toch maar even de camera gepakt en in looppas de straat op.

Onder de bogen van het Victorieplein was het redelijk goed toeven. Wie daar een plek had gereserveerd, mocht zich gelukkig prijzen met dit weer. Het was er ook druk, naar verhouding.

Om de hoek, in de Rijnstraat, liep het minder storm. Maar het enthousiasme bij degenen die er wél waren - vooral de 'standhouders', ocharme! - was er niet minder om. Echt of geforceerd, doet er niet toe. Beroepsverkopers of marktlieden voor één dag, oud, jong en piepjong, autochtoon, allochtoon en alles er tussenin: publiek én marktlieden zijn gemengd. En (bijna) allemaal zetten ze dapper door, desnoods met de paraplu onder handbereik en de handelswaar onder plastic.

En de moed wordt beloond! Ten lange leste komt er een verlegen zonnetje door - en alles ziet er ineens anders uit. Het oranje van de mutsen, hoeden, sjaals, sjerpen, strikjes, t-shirts en hoofddoeken - ja heus! - wordt nóg meer oranje.

Bij de brug over het Amstelkanaal klinkt zowaar live muziek. 'Bij ons in de Jordaan...' Huh? Het is hier toch echt de Rijnstraat... Never mind, lang leve de lol en van je hela-hola... Dansen maar!

Over de Churchilllaan hangt weer een schip met zure appelen - maar voorlopig baadt Victorieplein in de zon.

Uren later is de aanblik veranderd... Voor late voorbijgangers blijven nog slechts 'de schillen en de dozen...' En een enkele, eenzame pop of beer.

zondag 20 april 2008

Marianne


Mijn loopmaatje – oud-collega, vriendin vooral – is er niet meer. Eigenlijk had ze al een tijdje niet hardgelopen: eerst was het een blessure die haar ervan weerhield; toen bleek haar conditie in snel tempo af te nemen. En binnen de kortste keren lag Marianne in het OLVG, met de diagnose darmkanker. Eerst leek het nog beheersbaar; opgewekt zei ze: ‘Volgend jaar doe ik weer mee.’ Maar bij een volgend bezoek, toen ik gewild-optimistisch iets zei over mogelijke behandelingen, hernam ze me, bijna streng, met die ongelooflijke nuchterheid van haar: ‘Nee, ik word niet meer beter.’ Daarvoor waren de uitzaaiingen te groot, te talrijk. De chemotherapie had slechts als doel de pijn te verlichten en de tijd te rekken.
De herinneringen gaan ver terug. We hebben veel gedeeld – niet alleen het vak, niet alleen het lopen, we hadden ook een gedeelde liefde: Azië. Voor mij slechts een vakantie- of werkliefde, maar Marianne ging er echt wonen. Na tien jaar op de buitenlandredactie van de Volkskrant, nam ze – in 1979 – ontslag, om eens aan de andere kant van de ‘barrière’ te staan. Ze trad in dienst bij UNDP, standplaats Bangkok, van waaruit ze heel Zuid-Azië ‘coverde’. En ook dat deed ze gedreven, enthousiast, zorgvuldig. Ze leerde Thais en hoewel ze er vanaf zag om ook het schrift onder de knie te krijgen, was haar gesproken Thais in elk geval goed genoeg voor het dagelijks leven. Met ontzag hoorde ik haar onderhandelen met een taxichauffeur; het scheelde mij vele dollars. Welke expat doet dat haar na?
Maar de journalistiek bleef trekken. Bij de Volkskrant heerste destijds de traditie dat wie wegging, niet terug mocht komen, of slechts na een lange periode van vagevuur. Zo’n zeven, acht jaar bracht ze door in ballingschap bij het Haarlems Dagblad. Daarna kon Marianne haar oude plek weer innemen op de buitenlandredactie van de Volkskrant en daarvan is ze nooit meer weggegaan. Ze vond het leuk om mee te werken aan de website van de Volkskrant en zich daarvoor nieuwe technieken eigen te maken – al protesteerde ze hoofdschuddend op de dag dat Bokito voorpaginanieuws werd. Alsof er geen belangrijker dingen in de wereld waren… Ook mopperde ze wel eens op collega’s, omdat zij – als alleenstaande zonder kinderen – geacht werd altijd maar dienst te kunnen doen tijdens schoolvakanties en andere familiefeestelijkheden. Ook wanneer ze eigenlijk iets anders gepland had. We hebben eens een Dijkenloop gedaan – 10 kilometer langs de Waal in de hitte van een nazomermiddag – terwijl Marianne diezelfde avond naar de krant moest. Na de finish dus meteen doorrennen naar de bushalte – en dan maar giechelend omkleden in het bushokje. Thuisgekomen moest Marianne gauw-gauw douchen en dan snel op de fiets naar de Wibautstraat… ‘k Zou het haar niet na doen.
Collega’s hebben al herhaaldelijk gewezen op haar bekwaamheid. Marianne genoot er ook van dat ze het vak tot in de toppen van haar vingers te beheersen. ‘Het is zo fijn dat je zoveel kunt, als je al zolang in ’t vak zit’, zei ze wel eens. Ze genoot van veel dingen. Van haar reizen, van haar volkstuintje ook – dat eindelijk, eindelijk ‘af’ was, precies zoals zij het wilde. Dat was een paar weken voordat haar ziekte werd ontdekt. Ze had zo gehoopt, nog een keer naar Florence te kunnen. Dat was haar niet meer gegund.

vrijdag 7 maart 2008

Scaphandre au pied bouilli


Il y avait du monde, à la Maison Descartes (Institut Français) d’Amsterdam ! J’aurais jamais cru que « Le scaphandre et le papillon » attirerait tant de gens. Des amis, des inconnus. Beaucoup avaient vu le film, certains avaient lu le livre qui, dix ans après sa première parution en France, sort en traduction néerlandaise. Et tous (ou presque) avaient été bouleversés par l’histoire, par cette incroyable ténacité d’un homme qui entend, voit, sent tout – et qui ne peut rien. Sauf cligner de l’œil gauche. Et écrire un livre dans sa tête. C’est inimaginable : travailler, puis mémoriser un chapitre après l’autre, pour les « dicter » ensuite des heures durant rien qu’en clignant de l’œil, lettre par lettre – cela tient du prodige. Encore plus si on tient compte de l’etat physique de cet homme : trachéotomie, sondes gastrique et urinaire…

Elle avait du mérite aussi, Claude Mendibil (« Je suis nègre de profession »), de capter ces chapitres lettre par lettre, de travailler pendant des mois dans cet hôpital triste de bord de mer, pénétrant dans l’intimité d’un homme, Jean Dominique Bauby, qui, en bonne santé, ne ressemblait en rien à celui qu’elle voyait, immobile, sur son lit ou dans son fauteuil roulant. Bon vivant, homme du monde, volage, superficiel, il aimait les femmes et les voitures de sport – le stéréotype du journaliste speedé mais doué, qui avait participé à toutes sortes d’aventures journalistiques (dont le Matin de Paris) avant de devenir rédacteur en chef d’Elle. Et ce qu’elle trouvait là, c’était un « légume », comme le (à tort) dans le jet set parisien.

Mon entrée, à la Maison Descartes, fut pour le moins remarquée. Boîtant sur mes béquilles, soutenue par des amis,Jacqueline en fauteuil roulant montant les marches (hautes !) sur le cul et me hissant de la même manière peu élégante sur l’estrade où j’allais conduire l’interview de Claude Mendibil… Enfin, c’était une façon comme une autre de m’adapter à la situation. On parle d’un grand handicapé ? Je m’y prépare en me créant un petit handicap, temporaire de surcroît, en renversant habilement une marmite d’eau bouillante sur le pied gauche. Ce pied cuit au bain marie (pied bouillu, pied foutu…) m’avait permis de revoir le service des Urgences d’un grand hôpital parisien. Afin de me remettre en mémoire que l’hôpital, ça consiste en grande partie à attendre. Attendre qu’on veuille bien s’occuper de vous, qu’on daigne vous donner des explications, qu’on vous traite en adulte.

Tout cela, il l’a décrit, Jean Dominique Bauby. Ses observations ne sont guère tendres pour le milieu hospitalier. Médecins, infirmiers et autres auxiliaires médicaux : la plupart de ceux qui peuplent son livre sont compétents sur le plan technique, certes, voire savants, mais sur le plan humain il y a beaucoup à redire. Comme cet ophtalmo qui lui recoud la paupière droite en racontant ses vacances de ski en guise d’explication. Ou comme cet « abruti d’infirmier » qui éteint la télé au milieu d’un match de foot, en lançant un « bonne nuit ! » sans réplique possible. En admettant qu’on soit en état de répliquer… Echappent à ce tableau sombre, outre des infirmières dévouées, la kinési, Brigitte, et surtout l’orthophoniste, Sandrine.

C’est elle, Sandrine, qui lui apprend, à Jean Do et à son entourage – et à Claude – de se servir de cet alphabet « e-s-a-r-i-n-t-u-l » qui commence par les lettres les plus fréquentes et termine par les moins usuels. « E-s-a… », on l’entend tout au long du film de Julian Schabel, et du documentaire de Jean Jacques Beneix. Et cela va étonnamment vite à la fin, d’autant que les familiers du malade – et Claude en particulier – finissent par deviner bon nombre de mots avant qu’ils ne soient entièrement épelés. On voit – on le lit aussi, entre les lignes – qu’entre Jean Do et Claude s’installe une amitié, voire « un amour, puisque c’est cela que vous voulez m’entendre dire… » Qu’elle le veuille ou non, il lui fait partager son intimité, se livre à elle corps et âme. Elle essuie sa salive, aspire sa trachéotomie, lui essuie le front. Il lui « raconte » sa vie privée, puis s’enquiert de ce qu’elle fera le soir, quand elle aura quitté l’hôpital. Ce furent deux, trois mois très intenses.

Et puis, le travail est fini, Jean Do est transféré à Paris et tombe victime d’une infection qui fait que Claude n’a pas le droit de le revoir. Il est mort dix jours après la parution du livre. Elle n’a pas pu lui faire ses adieux. Le chagrin lui est resté. Et, tout de même, le souvenir de cette histoire d’« amour ».

Zie ook http://jacqwess.blog.lemonde.fr/

dinsdag 19 februari 2008

POOT


Zo kreeg ik dan toch de kans om een Parijs ziekenhuis van binnen te zien, voor 't eerst na jaren. En niet zomaar een ziekenhuis, nee, het Hôpital Européen Georges Pompidou, s'il vous plaît; wat je moet doen om Hôpital Européen te worden is niet duidelijk, maar het maakt indruk. 'n Nog tamelijk nieuw (jaar of 5), groot ziekenhuis, aan de buitenkant glimmende torens, van binnen zijn de Urgences zoals alle spoedeisende hulpafdelingen, waar dan ook: grijs en grauw, met zwaaideuren die al zwarte slijtplekken vertonen en ongemakkelijke stoelen.

Ik hinkelde naar de receptiebalie en stak m'n linkervoet omhoog toen de receptioniste vroeg wat er aan de hand was; ik had wel een brief van een SOS-Médecins-arts bij me, maar die was zoals alle brieven van artsen: onleesbaar. "Oh!" zei de receptioniste toen ze m'n voet zag en haalde snel een plastic OK-slofje. Dan LEEK het tenminste niet zo erg.

"Oh!" zei ook de verpleegkundige die de intake deed. "Dat mag je een blaar noemen..." Indeed, indeed: zo'n 8 x 5 cm, en zeker een vinger dik. Plus wat kleinere eromheen. "Hoe is dat gebeurd?" "Pan met kokend water", zei ik. "Bleef aan het stoomdeel van de pan hangen toen ik dat wilde optillen omdat de broccoli gaar waren." Voet meteen mee gekookt, 2 vliegen in 1 klap.

Op de afdeling traumato(logie) van de Urgences mocht ik op een brancard wachten. En wachten. En wachten. En wachten. "Oh!" zei verpleegkundige C. toen ze een kijkje kwam nemen. "Dat ga ik openmaken, wees niet bang, het doet geen pijn." Maar voorlopig was ze elders bezig, met een mevrouw die eruit zag of ze door haar man in elkaar getrimd was - of misschien écht van de trap was gevallen. "Jij denkt dat mijn man me in elkaar heeft gemept", zei de paarse blik van de vrouw toen ze in een rolstoel langskwam. "Ja", zei mjn blik terug. "Sorry."

Twee jonge meiden - beginnende externes (co-assistenten), schat ik - stonden te kleppen over wat zo te zien meer met jongens (jonge dokters?) te maken had dan met hun werk/studie. De rest van de tijd liepen ze wat doelloos rond, net als een jonge Black (het woord Noir wordt niet meer gebruikt in het weldenkende deel van Frankrijk). Af en toe brachten ze een dossier of een röntgenfoto van de ene kamer naar de andere. Soms keken ze wezenloos voor zich uit. Ze moesten nog veel leren.

Een (leerling?-) ziekenverzorgster liep de ene behandelkamer in en de andere uit, bracht instrumenten rond (voor zover die er nog waren: op deze afdeling wordt gestolen als de raven, zou Zuster C. me later vertellen) en keek naaar de mensen aan 't werk: vooral C. en een jonge interne, een arts-assistent in opleiding. Deze kwam op me af, gaf me een hand en ik verwachtte dat hij zich zou voorstellen, maar hij zweeg en zei toen: "Votre nom, s'il vous plaît?" "Jacqueline Wesselius", zei ik. "En u?" Weer een aarzeling. En toen: "DOCTEUR Z..." OK. Bonjour DOCTEUR Z... "Brûlure de 3e degré", stelde hij vast en zei wat er ging gebeuren - maar dat wist ik al - nadat ik eerst weer over die pan moest vertellen.

Intussen werd er een oude dame op een brancard binnengereden, Madame J. Discretie of privacy zijn met deze muren van bordkarton ver te zoeken. Madame J. brulde de hele Urgences bij elkaar. "Heupbreuk", zei C. later. "Ze heeft wel pijnstillers gekregen, maar ze beweegt de hele tijd, geen wonder dat ze pijn heeft." Ik hoorde mensen inpraten op de gillende Madame J. Het hielp niet. "Maman!" riep ze. "Appelez un docteur! Au secours! Maman!"

"U mag ook best gillen", zei C. tegen mij. "Als u maar niet Maman roept. Papa dan maar, of desnoods Frère Jacques." Ik heb 't bij een enkel beschaafd piepje gehouden. Ze deed 't ook érg vakkundig en bijna pijnloos. Dikke pluim voor C!

Zij mocht zich nu over Madame J. ontfermen, een redelijk ervaren externe kwam een soort anamnese doen. Leek me een achterstevoren procedure, maar och. Aardige jongen, E. En ach ja, zoals een van z'n soort-/lotgenoten 't ooit formuleerde toen ik protesteerde tegen de zoveelste anamnese: "Ik moet 't toch ook leren..."

E. weer weg om een recept te schrijven, en te laten ondertekenen door de interne, ik weer wachten. En mijn vriendin, die me heel zoet hierheen had gebracht, zich maar afvragen wat ze met me aan 't doen waren. Er liepen wel veel mensen rond, maar slechts enkelen bleken nuttig. En die zaten tot over hun oren in 't werk.

Drie uur na binnenkomst stonden we weer buiten, met een recept, een brief voor de huisarts, duidelijke instructies en een prachtig verpakte poot. En twee rammelende magen.

Morgen - lang leve de doorlopende reisverzekering en de ANWB - met een "ligtaxi" naar Amsterdam. Maar eerst komt nog 'n verpleegkundige 't verband verversen. Michael Moore heeft misschien wel gelijk, met z'n "Sick"-film. 't Kost wat (tijd), maar dan héb je ook wat.

dinsdag 18 december 2007

Bieb 2


Het is de hoogste tijd om te gaan slapen - lokale tijd Vancouver: 1.22... - maar de indrukken zijn nog vers en anders vergeet ik ze. Na 2 1/2 jaar een nieuw bezoek aan de Vancouver Public Library. Ik wist hem zowaar nog zonder al te veel moeite te vinden. Het gebouw (1995) was destijds nogal controversieel, schrijft de Lonely Planet. Hm. Valt nogal mee, zou ik zeggen, zeker 12 jaar later.
Destijds was ik er dol enthousiast over - niet alleen over het gebouw, de indeling, maar ook over de collectie, de gebruiksvriendelijkheid, de uitgebreide informatie die je op alle etages krijgt. Ik was heel benieuwd hoe ik er nu tegenover zou staan, temeer daar deze Central Branch van de VPL als model schijnt te zijn beschouwd voor de Centrale OBA in Amsterdam.
Inmiddels is in Amsterdam de nieuwe OBA op 't Oosterdokseiland al een half jaar in werking - en behalve dat sommige stoelen al scheurtjes vertonen, en dat er over het functioneren van die bieb wel 't een en ander te zeggen is, vind ik ook dat een prachtig gebouw.
Maar de VPL wint 't ruimschoots. De voornaamste reden: overal zijn boeken, je ziet ze zodra je binnenkomt, op elke etage staan ze voor het grijpen. Overal displays met de laatste boeken, die je kunt doorbladeren, lezen, zelfs lenen. Brochuretjes met lijstjes boeken over - ik noem maar wat: New York, Venetie, de geschiedenis van Canada. Een uitstallinkje met boeken van en over Norman Mailer. Een muur met foto's van dit jaar overleden schrijvers (en journalisten), onder wie Hrant Dink en David Halberstamm. Alle informatieboxen op alle etages (pal tegenover de roltrap, kan niet missen) zijn permanent bevrouwd/bemand. En het is mijn ervaring dat ze efficient, grondig en vriendelijk helpen (en ze hebben geen apenpakjes aan...).
Overal ook computers: sommige alleen met de catalogus, andere met toegang tot internet. Gratis, maar beperkt tot 1 uur - al kun je dat zonder probleem verlengen (enige minpunt: op de begane grond staan die computers op hoge desks en er zijn geen stoelen bij... op de hogere etages, ontdekte ik later, kun je trouwens wel zitten).
De bovenste etage is geheel gereserveerd voor kranten: 200 kranten, uit een vijftigtal landen. Papier. Natuurlijk kun je de meeste op internet raadplegen, maar hier liggen ze keurig geprint vanuit pdf-format - en tamelijk up to date, in elk geval, op deze maandag, tot en met het afgelopen weekend. Wat een werk moet dat zijn... Een enorme hoeveelheid magazines heeft de bieb verder, op allerlei gebied. Allicht zijn er ook dvds en cds - op de arts etage, daar waar ze logischerwijs horen.
De main floor is bestemd voor de meest gangbare boeken: fictie, recent aangekocht, van John Grisham tot een nieuwe uitgave van Lord Byron. En alle mogelijke bladen: opiniebladen, publieksbladen, you name it. Met, ook op die zelfde begane grond, een enorme Oosterse afdeling, met publicaties in 't Mandarijn en Cantonees, maar ook in 't Vietnamees en 't Thais, bijvoorbeeld. Vancouver is niet voor niets de grootste Aziatische stad buiten Azie...
Kortom, ik verliet de VPL moe, maar gelukkig. Met recht een voorbeeld voor "onze" bieb - die toch nog eens terug zou moeten naar Vancouver. Daar ben ik nu op drie verschillende tijden en dagen geweest. En het was er altijd druk. Zo hoort het.

maandag 17 december 2007

Macht



Tja, terwijl mijn collega’s zwoegen, ben ik aan ’t flierefluiten in wat we wel De Nieuwe Wereld noemden. En wat nu soms iets heeft van vergane glorie. De trein (De Trein: er gaat er 1 per dag) van Vancouver naar Seattle is superdeluxe - maar het is wel een luxe van dertig jaar geleden. Het is de wet van de remmende voorsprong: dingen beginnen in duigen te vallen.
Maar de media mogen er wezen: elk gehucht heeft z’n plaatselijke krant, die trots in z’n eigen bak op het stationnetje prijkt. Kom je de trein uit, valt je oog meteen op The Bellingham Post of The Mount Vernon Argus. De berichten reiken vaak niet verder dan de county waarin de krant wordt verspreid, maar ze worden gebracht met een professionaliteit die bewondering afdwingt. Zoals trouwens ook de liftgirl in de Space Needle van Seattle met alle ernst van de wereld roept: 'Hi, my name is Heather and I'll be your elevator operator during the next 82 (sic) seconds...' Dan volgt de snelheid waarmee we opstijgen, het aantal feet dat we per seconde afleggen en ze eindigt met: 'Hebt u nog vragen?' Even professioneel is de local tv: al gaat het om een onnozele aanrijding op Freeway zus-en-zo, het wordt gebracht met alle ins en outs, en met een seriousness die soms iets komisch heeft, maar toch ook respect afdwingt. Wie 't kleine niet eert...

Voorpaginanieuws in de landelijke media, althans in Canada, was vorige week de val van een press baron. Lord Conrad Black, Canadees van geboorte, begon zijn loopbaan als journalist bij een plaatselijke krant en eindigde als baas van een internationaal persimperium (Hollinger), met de Britse dagbladen The Daily Telegraph en The Sunday Telegraph en het Amerikaanse Chicago Sun Times als kroonjuwelen. In 2003 werd Black er door zijn eigen aandeelhouders uitgegooid: hij zou 32 miljoen US-dollar achterover hebben gedrukt. Op 11 december j.l. werd Black in Chicago veroordeeld tot 6 ½ jaar gevangenisstraf wegens fraude en ’t tegenwerken van justitie. Een nog grotere straf was misschien dat de officier van justitie verklaarde nooit van Conrad Black te hebben gehoord voordat hij deze zaak kreeg toegewezen. Hij begreep dan ook niets van alle media-aandacht... Vergane glorie indeed.
Naar Nederlandse verhoudingen vertaald: het is toch alsof ex-PCM-topman Theo Bouwman persoonlijk verantwoordelijk werd gesteld voor het wegsluizen van de miljoenen die het Britse Apax uit PCM haalde. Of, beter misschien nog, alsof John de Mol in de bak belandde na zijn eigen bedrijf te zijn uitgetrapt.
Maar in Nederland zou zowel de macht als de val van een Lord Black ondenkbaar zijn. In ‘onze’ media gaat het meestal om gedeelde dan wel om symbolische macht. En een journalist kan hier bekend worden, maar machtig? Een imperium opbouwen? Kom nou... Doe maar gewoon...
Hier - vooral aan de Amerikaanse kant van de grens - is alles 't grootste, 't duurste, het nieuwste, het enige... Liefst het grootste van de wereld, maar als dat niet kan, doen we 't met minder. Iemand vroeg de liftgirl in Seattle Space Needle iets over de relatieve hoogte van het gebouw. Antwoord: 'It is the highest West of the Mississippi'... Tja...

ShareThis