Follow me on Twitter

zondag 20 juli 2008

Poëzie in het water

Poezie in het Park
Daar waren ze weer, de ouwe-getrouwen van Open Podium, de poëziemiddagen in de bieb, plus nog een paar anderen. De regie, als altijd, in handen van Jos van Hest.

Maar ditkeer was het buiten, in het kader van Amsterdam Wereldboekenhoofdstad. Poëzie in het Park heette het, en het was in het mooie Frankendael (daar niemand me ooit in De Kas heeft uitgenodigd, ben ik er altijd alleen maar langs gefietst tot nu toe - maar o, wat een prachtig park is dit!). De ruimte moest bij dit evenement een rol spelen. De dichters zouden zich op verschillende plekken opstellen, het publiek zou van de één naar de ander wandelen.

Maar er was één probleem, en niet zo'n kleintje ook. Het regende. Nee, het góót. Tropische regenbuien waren het, zonder de bijbehorende temperatuur. Tussen twee buiten in: stralende zon.
Helaas: de droge perioden waren few and far between.

De dichters zaten tenslotte opeengepakt op het podium, het publiek verdrong zicn in een paar tenten. Een enkeling waagde zich erbuiten, mét paraplu. Slechts één of twee figuren negeerden stoïcijns de regen. Alleen de aanwezige honden trokken zich van de buien niks aan - op pluimstaart Charlie na, die zich verschanste in een tent onder een tafel. 'Charlie?! Waar is Charlie?', zo onderbrak zijn 'moeder' haar declamatie. Maar Charlie vond 't allang best. Hij zat droog. Zijn 'zusje' daarentegen raakte zeer opgewonden van een grote witte hond met zwarte vlekken, die als een caniene Casanova voorbijhuppelde. De kleine moest een sprongetje maken om aan hem te ruiken - en toen was hij alweer voorbij.

Het was de dichters om het even. Ze lazen hun gedichten voor, sommigen nerveus en snel, de meesten geroutineerd, een enkeling theatraal. Een paar dichters zongen (goed) hun verzen, één declameerde in 't Engels, twee Spaanstaligen gaven ons (ook) de nog melodieuzere, originele versie. Jack Terrible - zo'n naam vergeet je nooit - kon 't niet laten ook zijn schilderijen te tonen.

Het publiek - toch nog redelijk wat mensen waren komen opdagen - lachte, klapte, bewonderde.

Het werd toch nog een mooie middag.

zaterdag 19 juli 2008

Slapen

Zeggen ze dat je minder slaap nodig hebt als je ouder wordt. M'n neus. Minstens 8, liever 9 uur. Kapot ben ik 's avonds. En 's ochtends. De tijd die je 's morgens nodig hebt om weer een beetje mens te zijn... Trouwens, voor alles heb je meer tijd nodig. Wat je vroeger in een halfuurtje deed en waar je je hand niet voor omdraaide, dat vergt nu moed, beleid en doorzettingsvermogen. Zelfs een onnozel blog als dit.

Het lichaam wordt trager, de hersens ook. Alles kraakt, van binnen en van buiten. Hardlopen? Lukt niet meer sinds het incident van de Gekookte Poot. En van de weeromstuit neemt de conditie af... en af... en af... Grrrr.... !**&%@! Een lied instuderen? Uren kost het... Stukkie schrijven? Idem. Blogje plaatsen? Morgen, morgen, ben vandaag te moe... Oh, zut!!

Toch nog een beetje positief: steeds vaker drijf ik op mijn ervaring, op m'n in de loop der jaren verzamelde kennis. Op m'n routine. Dat werkt wel - meestal. Als ik niet weer even een naam kwijt ben, of een woord... Wel altijd het gevoel dat ik ooit tegen de lamp ga lopen. Oh well. We'll see.

Er is er één die gelukkig is met mijn nieuwe amorfe staat: Hannibal. He sleeps and sleeps and sleeps and sleeps... om T.S, Eliot's Old Gumbie Cat te parafraseren.

zondag 4 mei 2008

4 mei

4-mei
Maurits Koopman woonde in de Kromme-Mijdrechtstraat. Nadat de Duitse bezetters de anti-jodenwetten invoerden, was er eigenlijk nog maar één plek waar kinderen zoals hij ongehinderd konden spelen: de Amstel. De speeltuin was verboden terrein geworden, zoals zoveel andere plaatsen en activiteiten.

Maurits zwom vaak in de Amstel. Op een keer zag hij een jongetje dat bijna verdronk. Hij aarzelde niet,sprong in het water en bracht het jochie naar de kant. De moeder van het kind - wier man een NSB'er was - was Maurits zo dankbaar, dat ze hem aanbood iets terug te doen. Maurits vroeg haar een brief te schrijven waarin stond dat hij haar zoon gered had. Dat deed ze, eindigend met 'Heil Hitler!'

Herhaaldelijk redde de brief Maurits, zijn zusje Rita en hun ouders van deportatie. Elf keer, om precies te zijn. Maar de twaalfde keer was het effect uitgewerkt. Zo kwamen ze toch nog in Auschwitz terecht. Het verhaal had een half happy end. De kinderen overleefden Auschwitz. De ouders niet.

Dick Walda, schreef het op in 'Een huilbui van jaren', een van de vele boeken en boekjes die hij uitbracht over de oorlog - en de Rivierenbuurt. Ook vertelde hij dit verhaal tijdens de herdenking bij de Rozenoordbrug. De familie Koopman behoorde tot de 17.000 joden die voor de oorlog in de Rivierenbuurt woonden - en van wie er 13.000 vermoord werden, in Auschwitz en elders. 'Van de andere bewoners waren er wel die de joden hielpen', zegt Walda. 'Maar de meesten keken de andere kant op.'

Meer dan zestig jaar na dato zijn er gelukkig nog mensen die niet willen vergeten wat er toen is gebeurd. Of wat zich daarna voor soortgelijke dingen hebben afgespeeld. Ook nu weer zijn er veel naar de Rozenoordbrug gekomen: ouderen, jongeren, ouders met kinderen ook - maar ik mis een paar 'oude getrouwen', naar ik vrees om gezondheidsredenen.

Helaas zijn er ook die zich van 4 mei niets aantrekken. Tijdens de twee minuten stilte dendert het verkeer onverminderd over de A10. Het koor zingt er (onder leiding van Maarten Smit) niet minder mooi om (Reger en Schubert, o.a.). Petje af. Het is zó moeilijk om in de buitenlucht te zingen, en dan ook nog met het verkeer op de achtergrond...

Na afloop praten sommigen nog na in de speeltuin aan de Gaaspstraat. Broederlijk staat een invalidenwagentje daar naast het Kindermonument. Een paar straten verder, op het Merwedeplein, liggen ook bloemen bij het beeldje van Anne Frank. Hier eindigt mijn 'gedenkdag', die begon op de Nieuwe Ooster.

Overal kwam ik mensen tegen die ook aan 't herdenken waren. Iedereen met zijn eigen gedenktekens, zijn eigen herinneringen. Het schept een band.

woensdag 30 april 2008

Koninginnedag, in looppas



Het begon uiterst druilerig. Kil ook. Naar buiten? Hm... Toch maar even de camera gepakt en in looppas de straat op.

Onder de bogen van het Victorieplein was het redelijk goed toeven. Wie daar een plek had gereserveerd, mocht zich gelukkig prijzen met dit weer. Het was er ook druk, naar verhouding.

Om de hoek, in de Rijnstraat, liep het minder storm. Maar het enthousiasme bij degenen die er wél waren - vooral de 'standhouders', ocharme! - was er niet minder om. Echt of geforceerd, doet er niet toe. Beroepsverkopers of marktlieden voor één dag, oud, jong en piepjong, autochtoon, allochtoon en alles er tussenin: publiek én marktlieden zijn gemengd. En (bijna) allemaal zetten ze dapper door, desnoods met de paraplu onder handbereik en de handelswaar onder plastic.

En de moed wordt beloond! Ten lange leste komt er een verlegen zonnetje door - en alles ziet er ineens anders uit. Het oranje van de mutsen, hoeden, sjaals, sjerpen, strikjes, t-shirts en hoofddoeken - ja heus! - wordt nóg meer oranje.

Bij de brug over het Amstelkanaal klinkt zowaar live muziek. 'Bij ons in de Jordaan...' Huh? Het is hier toch echt de Rijnstraat... Never mind, lang leve de lol en van je hela-hola... Dansen maar!

Over de Churchilllaan hangt weer een schip met zure appelen - maar voorlopig baadt Victorieplein in de zon.

Uren later is de aanblik veranderd... Voor late voorbijgangers blijven nog slechts 'de schillen en de dozen...' En een enkele, eenzame pop of beer.

zondag 20 april 2008

Marianne


Mijn loopmaatje – oud-collega, vriendin vooral – is er niet meer. Eigenlijk had ze al een tijdje niet hardgelopen: eerst was het een blessure die haar ervan weerhield; toen bleek haar conditie in snel tempo af te nemen. En binnen de kortste keren lag Marianne in het OLVG, met de diagnose darmkanker. Eerst leek het nog beheersbaar; opgewekt zei ze: ‘Volgend jaar doe ik weer mee.’ Maar bij een volgend bezoek, toen ik gewild-optimistisch iets zei over mogelijke behandelingen, hernam ze me, bijna streng, met die ongelooflijke nuchterheid van haar: ‘Nee, ik word niet meer beter.’ Daarvoor waren de uitzaaiingen te groot, te talrijk. De chemotherapie had slechts als doel de pijn te verlichten en de tijd te rekken.
De herinneringen gaan ver terug. We hebben veel gedeeld – niet alleen het vak, niet alleen het lopen, we hadden ook een gedeelde liefde: Azië. Voor mij slechts een vakantie- of werkliefde, maar Marianne ging er echt wonen. Na tien jaar op de buitenlandredactie van de Volkskrant, nam ze – in 1979 – ontslag, om eens aan de andere kant van de ‘barrière’ te staan. Ze trad in dienst bij UNDP, standplaats Bangkok, van waaruit ze heel Zuid-Azië ‘coverde’. En ook dat deed ze gedreven, enthousiast, zorgvuldig. Ze leerde Thais en hoewel ze er vanaf zag om ook het schrift onder de knie te krijgen, was haar gesproken Thais in elk geval goed genoeg voor het dagelijks leven. Met ontzag hoorde ik haar onderhandelen met een taxichauffeur; het scheelde mij vele dollars. Welke expat doet dat haar na?
Maar de journalistiek bleef trekken. Bij de Volkskrant heerste destijds de traditie dat wie wegging, niet terug mocht komen, of slechts na een lange periode van vagevuur. Zo’n zeven, acht jaar bracht ze door in ballingschap bij het Haarlems Dagblad. Daarna kon Marianne haar oude plek weer innemen op de buitenlandredactie van de Volkskrant en daarvan is ze nooit meer weggegaan. Ze vond het leuk om mee te werken aan de website van de Volkskrant en zich daarvoor nieuwe technieken eigen te maken – al protesteerde ze hoofdschuddend op de dag dat Bokito voorpaginanieuws werd. Alsof er geen belangrijker dingen in de wereld waren… Ook mopperde ze wel eens op collega’s, omdat zij – als alleenstaande zonder kinderen – geacht werd altijd maar dienst te kunnen doen tijdens schoolvakanties en andere familiefeestelijkheden. Ook wanneer ze eigenlijk iets anders gepland had. We hebben eens een Dijkenloop gedaan – 10 kilometer langs de Waal in de hitte van een nazomermiddag – terwijl Marianne diezelfde avond naar de krant moest. Na de finish dus meteen doorrennen naar de bushalte – en dan maar giechelend omkleden in het bushokje. Thuisgekomen moest Marianne gauw-gauw douchen en dan snel op de fiets naar de Wibautstraat… ‘k Zou het haar niet na doen.
Collega’s hebben al herhaaldelijk gewezen op haar bekwaamheid. Marianne genoot er ook van dat ze het vak tot in de toppen van haar vingers te beheersen. ‘Het is zo fijn dat je zoveel kunt, als je al zolang in ’t vak zit’, zei ze wel eens. Ze genoot van veel dingen. Van haar reizen, van haar volkstuintje ook – dat eindelijk, eindelijk ‘af’ was, precies zoals zij het wilde. Dat was een paar weken voordat haar ziekte werd ontdekt. Ze had zo gehoopt, nog een keer naar Florence te kunnen. Dat was haar niet meer gegund.

vrijdag 7 maart 2008

Scaphandre au pied bouilli


Il y avait du monde, à la Maison Descartes (Institut Français) d’Amsterdam ! J’aurais jamais cru que « Le scaphandre et le papillon » attirerait tant de gens. Des amis, des inconnus. Beaucoup avaient vu le film, certains avaient lu le livre qui, dix ans après sa première parution en France, sort en traduction néerlandaise. Et tous (ou presque) avaient été bouleversés par l’histoire, par cette incroyable ténacité d’un homme qui entend, voit, sent tout – et qui ne peut rien. Sauf cligner de l’œil gauche. Et écrire un livre dans sa tête. C’est inimaginable : travailler, puis mémoriser un chapitre après l’autre, pour les « dicter » ensuite des heures durant rien qu’en clignant de l’œil, lettre par lettre – cela tient du prodige. Encore plus si on tient compte de l’etat physique de cet homme : trachéotomie, sondes gastrique et urinaire…

Elle avait du mérite aussi, Claude Mendibil (« Je suis nègre de profession »), de capter ces chapitres lettre par lettre, de travailler pendant des mois dans cet hôpital triste de bord de mer, pénétrant dans l’intimité d’un homme, Jean Dominique Bauby, qui, en bonne santé, ne ressemblait en rien à celui qu’elle voyait, immobile, sur son lit ou dans son fauteuil roulant. Bon vivant, homme du monde, volage, superficiel, il aimait les femmes et les voitures de sport – le stéréotype du journaliste speedé mais doué, qui avait participé à toutes sortes d’aventures journalistiques (dont le Matin de Paris) avant de devenir rédacteur en chef d’Elle. Et ce qu’elle trouvait là, c’était un « légume », comme le (à tort) dans le jet set parisien.

Mon entrée, à la Maison Descartes, fut pour le moins remarquée. Boîtant sur mes béquilles, soutenue par des amis,Jacqueline en fauteuil roulant montant les marches (hautes !) sur le cul et me hissant de la même manière peu élégante sur l’estrade où j’allais conduire l’interview de Claude Mendibil… Enfin, c’était une façon comme une autre de m’adapter à la situation. On parle d’un grand handicapé ? Je m’y prépare en me créant un petit handicap, temporaire de surcroît, en renversant habilement une marmite d’eau bouillante sur le pied gauche. Ce pied cuit au bain marie (pied bouillu, pied foutu…) m’avait permis de revoir le service des Urgences d’un grand hôpital parisien. Afin de me remettre en mémoire que l’hôpital, ça consiste en grande partie à attendre. Attendre qu’on veuille bien s’occuper de vous, qu’on daigne vous donner des explications, qu’on vous traite en adulte.

Tout cela, il l’a décrit, Jean Dominique Bauby. Ses observations ne sont guère tendres pour le milieu hospitalier. Médecins, infirmiers et autres auxiliaires médicaux : la plupart de ceux qui peuplent son livre sont compétents sur le plan technique, certes, voire savants, mais sur le plan humain il y a beaucoup à redire. Comme cet ophtalmo qui lui recoud la paupière droite en racontant ses vacances de ski en guise d’explication. Ou comme cet « abruti d’infirmier » qui éteint la télé au milieu d’un match de foot, en lançant un « bonne nuit ! » sans réplique possible. En admettant qu’on soit en état de répliquer… Echappent à ce tableau sombre, outre des infirmières dévouées, la kinési, Brigitte, et surtout l’orthophoniste, Sandrine.

C’est elle, Sandrine, qui lui apprend, à Jean Do et à son entourage – et à Claude – de se servir de cet alphabet « e-s-a-r-i-n-t-u-l » qui commence par les lettres les plus fréquentes et termine par les moins usuels. « E-s-a… », on l’entend tout au long du film de Julian Schabel, et du documentaire de Jean Jacques Beneix. Et cela va étonnamment vite à la fin, d’autant que les familiers du malade – et Claude en particulier – finissent par deviner bon nombre de mots avant qu’ils ne soient entièrement épelés. On voit – on le lit aussi, entre les lignes – qu’entre Jean Do et Claude s’installe une amitié, voire « un amour, puisque c’est cela que vous voulez m’entendre dire… » Qu’elle le veuille ou non, il lui fait partager son intimité, se livre à elle corps et âme. Elle essuie sa salive, aspire sa trachéotomie, lui essuie le front. Il lui « raconte » sa vie privée, puis s’enquiert de ce qu’elle fera le soir, quand elle aura quitté l’hôpital. Ce furent deux, trois mois très intenses.

Et puis, le travail est fini, Jean Do est transféré à Paris et tombe victime d’une infection qui fait que Claude n’a pas le droit de le revoir. Il est mort dix jours après la parution du livre. Elle n’a pas pu lui faire ses adieux. Le chagrin lui est resté. Et, tout de même, le souvenir de cette histoire d’« amour ».

Zie ook http://jacqwess.blog.lemonde.fr/

dinsdag 19 februari 2008

POOT


Zo kreeg ik dan toch de kans om een Parijs ziekenhuis van binnen te zien, voor 't eerst na jaren. En niet zomaar een ziekenhuis, nee, het Hôpital Européen Georges Pompidou, s'il vous plaît; wat je moet doen om Hôpital Européen te worden is niet duidelijk, maar het maakt indruk. 'n Nog tamelijk nieuw (jaar of 5), groot ziekenhuis, aan de buitenkant glimmende torens, van binnen zijn de Urgences zoals alle spoedeisende hulpafdelingen, waar dan ook: grijs en grauw, met zwaaideuren die al zwarte slijtplekken vertonen en ongemakkelijke stoelen.

Ik hinkelde naar de receptiebalie en stak m'n linkervoet omhoog toen de receptioniste vroeg wat er aan de hand was; ik had wel een brief van een SOS-Médecins-arts bij me, maar die was zoals alle brieven van artsen: onleesbaar. "Oh!" zei de receptioniste toen ze m'n voet zag en haalde snel een plastic OK-slofje. Dan LEEK het tenminste niet zo erg.

"Oh!" zei ook de verpleegkundige die de intake deed. "Dat mag je een blaar noemen..." Indeed, indeed: zo'n 8 x 5 cm, en zeker een vinger dik. Plus wat kleinere eromheen. "Hoe is dat gebeurd?" "Pan met kokend water", zei ik. "Bleef aan het stoomdeel van de pan hangen toen ik dat wilde optillen omdat de broccoli gaar waren." Voet meteen mee gekookt, 2 vliegen in 1 klap.

Op de afdeling traumato(logie) van de Urgences mocht ik op een brancard wachten. En wachten. En wachten. En wachten. "Oh!" zei verpleegkundige C. toen ze een kijkje kwam nemen. "Dat ga ik openmaken, wees niet bang, het doet geen pijn." Maar voorlopig was ze elders bezig, met een mevrouw die eruit zag of ze door haar man in elkaar getrimd was - of misschien écht van de trap was gevallen. "Jij denkt dat mijn man me in elkaar heeft gemept", zei de paarse blik van de vrouw toen ze in een rolstoel langskwam. "Ja", zei mjn blik terug. "Sorry."

Twee jonge meiden - beginnende externes (co-assistenten), schat ik - stonden te kleppen over wat zo te zien meer met jongens (jonge dokters?) te maken had dan met hun werk/studie. De rest van de tijd liepen ze wat doelloos rond, net als een jonge Black (het woord Noir wordt niet meer gebruikt in het weldenkende deel van Frankrijk). Af en toe brachten ze een dossier of een röntgenfoto van de ene kamer naar de andere. Soms keken ze wezenloos voor zich uit. Ze moesten nog veel leren.

Een (leerling?-) ziekenverzorgster liep de ene behandelkamer in en de andere uit, bracht instrumenten rond (voor zover die er nog waren: op deze afdeling wordt gestolen als de raven, zou Zuster C. me later vertellen) en keek naaar de mensen aan 't werk: vooral C. en een jonge interne, een arts-assistent in opleiding. Deze kwam op me af, gaf me een hand en ik verwachtte dat hij zich zou voorstellen, maar hij zweeg en zei toen: "Votre nom, s'il vous plaît?" "Jacqueline Wesselius", zei ik. "En u?" Weer een aarzeling. En toen: "DOCTEUR Z..." OK. Bonjour DOCTEUR Z... "Brûlure de 3e degré", stelde hij vast en zei wat er ging gebeuren - maar dat wist ik al - nadat ik eerst weer over die pan moest vertellen.

Intussen werd er een oude dame op een brancard binnengereden, Madame J. Discretie of privacy zijn met deze muren van bordkarton ver te zoeken. Madame J. brulde de hele Urgences bij elkaar. "Heupbreuk", zei C. later. "Ze heeft wel pijnstillers gekregen, maar ze beweegt de hele tijd, geen wonder dat ze pijn heeft." Ik hoorde mensen inpraten op de gillende Madame J. Het hielp niet. "Maman!" riep ze. "Appelez un docteur! Au secours! Maman!"

"U mag ook best gillen", zei C. tegen mij. "Als u maar niet Maman roept. Papa dan maar, of desnoods Frère Jacques." Ik heb 't bij een enkel beschaafd piepje gehouden. Ze deed 't ook érg vakkundig en bijna pijnloos. Dikke pluim voor C!

Zij mocht zich nu over Madame J. ontfermen, een redelijk ervaren externe kwam een soort anamnese doen. Leek me een achterstevoren procedure, maar och. Aardige jongen, E. En ach ja, zoals een van z'n soort-/lotgenoten 't ooit formuleerde toen ik protesteerde tegen de zoveelste anamnese: "Ik moet 't toch ook leren..."

E. weer weg om een recept te schrijven, en te laten ondertekenen door de interne, ik weer wachten. En mijn vriendin, die me heel zoet hierheen had gebracht, zich maar afvragen wat ze met me aan 't doen waren. Er liepen wel veel mensen rond, maar slechts enkelen bleken nuttig. En die zaten tot over hun oren in 't werk.

Drie uur na binnenkomst stonden we weer buiten, met een recept, een brief voor de huisarts, duidelijke instructies en een prachtig verpakte poot. En twee rammelende magen.

Morgen - lang leve de doorlopende reisverzekering en de ANWB - met een "ligtaxi" naar Amsterdam. Maar eerst komt nog 'n verpleegkundige 't verband verversen. Michael Moore heeft misschien wel gelijk, met z'n "Sick"-film. 't Kost wat (tijd), maar dan héb je ook wat.

ShareThis