Follow me on Twitter

woensdag 17 december 2008

Sneeuw en ijs en crisis



Aan deze kant van de "vijver" is de crisis beduidend dichterbij. Elke dag zijn radio, tv en kranten er vol van. Vanochtend, op CBC Radio 1, een vertegenwoordigster van de banken in Ontario: de regering MOET de belastingen voor de banken verlagen, or else... Waarop de anchorwoman nogal scherp zei dat de crisis juist ontstaan is omdat de banken hun werk niet hadden gedaan, dus wat zeuren ze nou? En wat moeten de gewone mensen wel zeggen die het krapper hebben dan andere jaren - en dan zou de (provinciale) regering van HUN geld ook nog de banken een cadeautje moeten geven?

Jaja, zei de bankmevrouw, ze begreep wel dat de regering het momenteel ook moeilijk had (op het eerste verwijt ging ze maar niet in) en ze kon zich wel voorstellen dat het niet METEEN mogelijk was - maar de regering zou dan toch met een PLAN moeten komen, zodat die belasting op termijn in elk geval omlaag zou gaan of - beter nog - helemaal zou verdwijnen. The nerve!

Gisteren, in hetzelfde ochtendnieuwsprogramma, een man van General Motors (vice-president van GM Noord-Amerika?). Na veel aandringen van de anchor - want hij zeurde maar door over hoe positief changes bij GM wel konden zijn, en wat voor geweldige innovaties ze allemaal invoerden - kwam het er uit, zonder blikken of blozen en of het de gewoonste zaak van de wereld was: van de 19.000 werknemers die GM Noord-Amerika momenteel telt, zal de helft voor (eind?) 2010 weg moeten. Bijna 10.000 banen weg! Of het niks is! Again: the bloody nerve!

Ook gisteren, een reportage in de Globe & Mail over Detroit. Foto's van straten die er verlaten bij liggen, waar ik-weet-niet-hoeveel-huizen te koop staan; in Detroit heb ik dat niet gezien (ben niet in die buurten geweest, simpel), maar in Windsor, across the river, ziet het er precies zo uit. Ford-town is run-down en half verlaten - except for the community center, dat extra z'n best doet.

Op de achtergrond in diezelfde foto: de GM-toren, die je overal vandaan ziet. En zoals het mij ook al opviel - want in die toren ben ik wel geweest, je kunt hem niet missen, het is de eerste shopping mall als je uit de tunnel en uit de bus komt - kon ook de verslaggeefster van de Globe & Mail niet nalaten op te merken hoe glimmend en luxueus en duur en posh alles in die toren eruit ziet. En in de showroom in het midden staan de Chevrolets en de Hummers en de Buicks en ander duur spul. Je kunt het niet missen, de hele toren is er als het ware omheen gebouwd. En, schreef de verslaggeefster boos in The Globe & Mail - geen woord van excuus tegenover het publiek over de fouten die ook de autofabrikanten hebben gemaakt, onder andere door maar veel te grote, te dorstige auto's te blijven maken...

En behalve de crisis is ook Kerstmis hier veel meer alomtegenwoordig - ook wel juist in verband met de crisis, maar niet alleen: je wordt wakker met kerstliedjes, gaat slapen met kersliedjes, in winkels is het van je Jingle Bells en je Holly and Ivy dat het een lieve lust is... Een witte kerst wordt het, for sure. Over heel Toronto ligt nu al (weer) een dik pak sneeuw en zelfs hier - waar ze onmiddellijk beginnen met straten en stoepen schoonmaken, met schrobben, krabben en strooien - is het verkeer vertraagd en het openbaar vervoer delayed. Een vliegtuigje van Air Canada is van de runway gelopen op Pearson Airport - geen schade, geen gewonden. Maar toch. Zelfs hier, waar ze zo aan sneeuw en ijs gewend zijn. Het is -5C vanochtend, windchill -11C. Weet nog niet of a run in the park erin zit...

dinsdag 2 december 2008

Nog zo druk als een klein baasje

Lambiek 50 jaar journalist

Vijftig jaar in de journalistiek – dat is niet velen gegeven. Op 1 december was het zo ver voor Lambiek Berends. Vijftig jaar geleden, een paar maanden na zijn eindexamen HBS, trad hij als zeventienjarige aan als leerling-journalist bij De Maasbode (nog niet eens De Tijd/De Maasbode) in zijn geboortestad Rotterdam. Later maakte hij de overstap naar de Volkskrant, eerst naar de Rotterdamse redactie en toen, via een correspondentschap in Maastricht, naar Amsterdam. Na negentien jaar hield hij het daar voor gezien en verhuisde – ook om privé-redenen – naar Parijs, waar hij als freelancer werkte en gedenkwaardige columns schreef. Sinds zijn terugkeer in Amsterdam, begin 1985, werkt Lambiek bij Het Parool.
En daar zit hij dus nog altijd, vut en pensioengerechtigde leeftijd ten spijt. Still going strong, en as busy as a flee on a fat woman, om met Dashiell Hammett te spreken, een van zijn favoriete auteurs. Van ‘Amsterdam Onbewolkt’, de reeks luchtfoto’s-met-teksten die hij samen met fotograaf Peter Elenbaas maakt, is net het vierde boek verschenen.
Daarnaast werkt Lambiek op de buitenlandredactie van Het Parool en elke vrijdagavond/nacht voert hij de eindredactie over de krant van zaterdag – en eindredactie betekent bij hem dus écht eindredactie, zoals collega en vriend Albert de Lange nog eens benadrukte. Bij café Leentje – pleisterplaats van de Parolio’s toen ze nog aan de Wibautstraat zaten – werd het jubileum waardig gevierd onder het toeziend oog van hoofdredacteur Barbara van Beukering. Heden en verleden kwamen er samen. Het heden: de Parool-redactie, met natuurlijk een ‘extra editie’ van de krant – en trouwens ook enkele ex-redacteuren – en een prachtige, ondeugende tekening van Joep Bertrams; ‘toepasselijk’, zei deze en gene. Het verleden was er vooral in de vorm van ‘Volksknarren’: zoals Jan van Capel, Willem Beusekamp en fotograaf Wim Ruigrok. En sommigen – Lucy Prijs, Bert Steinmetz, Maurits Schmidt – konden naast een Parool-heden ook op een Volkskrant-verleden bogen. Er werd gespeecht, er werd gedronken, er werd gelachen, er werden héél veel herinneringen opgehaald – aan Parijs, aan krantenpoes Klaasje, aan de misschien toch niet altijd zo goede oude tijd. En het bleef – om ‘Volksknar’ Bram Brakel te citeren – nog lang onrustig in de stad.
(verschijnt in De Journalist nr 21 van 5 december 2008; zie ook www.dejournalist.nl)

zaterdag 8 november 2008

Poppies Day

They shall grow not old, as we that are left grow old;
Age shall not weary them, nor the years condemn.
At the going down of the sun and in the morning
We will remember them.

(Laurence Binyon, For the Fallen, 1914, published in Collected Poems, 1931).

The trees were all shades of copper, the sun sharp, the little angels near the Commonwealth War Cemetery casting long shadows. It was, in short, a glorious autumn day.

Led by a bagpipe player, the procession advanced - veterans and their relatives, schoolchildren and their parents.


Around the cenotaph, veterans hoisted and lowered their flags.

The reverend John Cowie led a short, impressive service. He recited the famous lines of Laurence Binyons poem and reminded his audience of the meaning of remembrance - that it is not only turned to the past, but also includes today's wars and their victims, in many parts of the world.

The pupils of the British School of Amsterdam sang "You'll never walk alone." The trumpet played The Last Post. Flags were raised, then lowered. The Lord's Prayer was said, "Abide By Me" was sung, and so were the British and Dutch national anthems. Wreaths were laid at the cenotaph - by, among others, representatives of the Royal Air Force and the Canadian Air Force. I made a mental note of this, thinking of "our" Cal, buried a few feet from where I stood. He was killed while serving both his country, Canada, and the Royal Air Force - and contributing to the liberation of my homeland. Cal was only 30 when his aircraft was shot down above the North Sea. He left a wife and a 4-months old daughter - yet he was far from being the youngest among those killed. Frank Huntley, another of our acquintances, was only 21. Frank wasn't married yet, he left no kids - he was his parent's only child. His mother carried on visiting his grave as long she was able to. Cal's wife is deceased now as well; we like to think she is reunited with the love of her life. Their daughter Anne, son-in-law Terry and granddaughter Jane still come and visit his grave.

So, while the ceremony went on, I stood thinking of all those young men and women who died for our freedom, for our peace. The thought of Roy also entered my mind. He survived Normandy, Nijmegen and even Arnhem - but never, until his death last summer, did he speak of what he saw.

Then, the children laid poppies at the feet of the graves. This, perhaps, was the most moving part of the ceremony - these youngsters suddenly seemed to communicate with those other young people under the grass... and in a certain, bizarre way this also meant that life was going on.

Flags were raised,the band played and slowly everyone went their way.

As to us, Jeanne and I, we left flowers at the graves of our beloved and thus had our own personal Remembrance Day - which for Jeanne acquired a most particular meaning. Within minutes after the ceremony ended, she heard that her eldest sister had died. Sadness, bewilderment, and yet relief, to know that her sister had found peace.

At a crossroads, we saw another procession, following a deceased beloved one to his or her grave. Life, including death, goes on.

donderdag 30 oktober 2008

Witte Dichters



Ze stonden onder een witte, verlichte paraplu, herkenbaar in de duisternis van de Nieuwe Ooster. Achttien kleumende dichters, ieder met één gedicht, speciaal geschreven voor deze gelegenheid: de vervroegde viering van Allerheiligen/Allerzielen. Op verzoek lazen ze hun gedicht voor, soms voor grotere groepen, soms voor één of twee toehoorders, die het desgewenst ook nog meekregen. De poëzie ging erin als koek. De stapeltjes gedichten slonken snel.

De bezoekers, met fakkels, zaklantaarns of gewoon in het donker, liepen door, naar andere lichtjes en vuurkorven. Het kerkhof lag in een mistige gloed onder laserstralen en verlichte luchtballonnen, met op de hoofdpaden witte, verlichte ballen die de route markeerden. De 'Herinnering Verlicht', inderdaad. En overal die witte paraplu's, omringd door poëzieminnaars, mensen op weg naar een graf en nieuwsgierigen.

Elders op het kerkhof werd muziek gemaakt. Op enkele graven staken mensen kaarsjes aan. De 'engeltjes' op het grasveld voor de geallieerdengraven droegen fakkels op hun hoofd. Men zegt dat er Duitsers begraven hebben gelegen - 'goede' Duitsers die door de Nazibezetters zijn doodgeschoten en later in Duitsland herbegraven.

Jeanne's gedicht ging over 'Vak 85', het ereveldje waar de gesneuvelde geallieerden liggen: 'Wie valt niet stil bij deze plek / vol witte stenen, streng in het / gelid, vijf rijen dik, beschut / door kort geschoren coniferen.'

Voor ons is het dichtbij: Clarence, om wie dit gedicht draait, was een vriend van de familie, die '(...) veel te / jong, te onbestemd gestorven is'. Scenarioschrijver van beroep, piloot bij de RAF zodra de oorlog uitbrak - en op zijn laatste raid boven de Noordzee neergeschoten, 30 jaar, een vrouw en een dochtertje van een paar maanden achterlatend - maar anderen waren nog veel jonger.

Wendela de Vos (lees ook haar column), van wie een foto in bovenstaand album staat, schreef het gedicht 'Wachttijd', Jos Zuijderwijk 'Moedertjelief'. Met excuses aan de andere vijftien dichters...

dinsdag 28 oktober 2008

Taductruus


Veel is al gezegd en geschreven over Truus.

Ze gaan grotendeels - hoewel niet uitsluitend - over Truus' leven als vertaalster, over Traductruus.

Maar ze was natuurlijk zoveel meer. Daarom hier toch nog een paar persoonlijke woorden. Ik heb er wat tijd voor nodig gehad - onder andere om het beeld van een doodzieke en stervende Truus, weg te duwen en te vervangen door dat van een zeer levende Truus. En ook om te beseffen dat het gemis niet met een paar weken ophoudt. Ik nam haar misschien teveel for granted omdat ze er altijd was, omdat je altijd op haar kon rekenen. Tot die ene dag, toen opeens alleen haar lichaam er nog was en we niet meer tot 'de echte Truus' konden doordringen.

Eerst nog, tegen beter weten in, het gevoel: "Het komt weer goed. Ze wordt beter." Het kwam niet goed. Ze werd niet beter.

En nu missen we haar. Ik mis haar. Bij Magna Voce, het koor waarin ze al jaren trouw haar altpartij zong en waar ze me - ook alweer ruim zeven jaar geleden - mee naar toe sleepte. Ik mis haar op de stoel tegenover me, bij het zingen, haar goede-verstaander-blikken; en bij het naar huis gaan - telkens is er even een 'pang' op de plek waar we meestal nog wat napraatten. Ik mis haar wanneer ik dingen van haar tegenkom. Laatst nog fietste haar rugzakje voorbij... Zoals ik mijn andere vriendin Marianne - die nota bene stierf toen ik met Truus in Rome was - mis op specifieke plekken en momenten, zo komt ook Truus op de meest onverwachte ogenblikken tevoorschijn.

Ze kon van die binnenpretjes hebben, waarvan ze je met glimogen deelgenoot maakte. Ze bedacht gekke dingen, zoals de 'cactus' (komkommer+cocktailprikkers in een potje)waarmee 'onze' Wybe (in 'Mein kleiner grüner Kaktus') zijn bas-solo zong - tot groot vermaak van het publiek, dat om herhaling vroeg.

Geregeld zei ze: "Ik heb geen mooi karakter", en dan kwam er een vanne waar je "U" tegen zei. En waar ik doorgaans vreselijk om moest lachen. Vaak zei ze hardop wat anderen slechts durfden te mompelen. Dat werd haar niet altijd in dank afgenomen (en soms juist wel), maar het zorgde voor de vaak noodzakelijke duidelijkheid. Nee, op haar mondje gevallen was ze niet - al benoemde ze soms de dingen omdat ze het nodig vond, en niet omdat ze het zo graag wilde. En ze was een stuk kwetsbaarder dan ze wilde laten zien.

Ach. helemaal weg is ze niet en zal ze nooit zijn. Soms hebben we nog wel eens een goed gesprek.

Zie ook mijn blog over Marianne (20-04-2008)

zondag 19 oktober 2008

Rooseveld en IJsel

‘So’, zei mijn Canadese neef Dick peinzend, ‘de Rooseveltlaan is dus niet naar de president vernoemd?’

‘Jawel!’ zei ik.

‘Maar het wordt hier gespeld met een d.’

‘Nee hoor!’

Dick (tussen twee haakjes: onlangs ‘mocht’ hij zijn Nederlandse nationaliteit, die hij als kind verloor, terugkopen – jazeker, als ’t maar geld oplevert ­­– en dit tweede paspoort, waar hij als een pauw zo trots op is, maakt hem binnen de Canadese gemeenschap een niet minder gerespecteerd man) liep terug naar de hoek en wees naar het straatnaambordje: Rooseveldlaan. Het stond er.

‘Wat een sukkels!’

Ik nam me voor, snel te protesteren bij de deelraad. En een foto te maken ter bewijs. Het kwam er niet van. Zo gaan die dingen. Gisteren pas was het zo ver. Camera in de aanslag – en wat las ik? Rooseveltlaan. Correct, met een t.

Waren we allebei gek geweest? Nee, dit was een nieuw straatnaambord, kleiner dan het vorige, en met een ander lettertype dan het bordje ‘Waalstraat’ om de hoek. Daar stond overigens nog ‘Nieuw-Zuid’ bij, terwijl de Rooseveltlaan hier voorzien is van het predicaat ‘Rivierenbuurt’.

Een andere Juffrouw (of Meester) Pennewip was mij voor geweest. Of – zoals mijn schoonzus opperde – iemand had het bordje losgeschroefd en meegenomen als curiosum, zodat het wel vervangen móést worden.

Gelukkig is er nog een straatnaambordje om over te mopperen. Het zijn de kleinste dingen waar een mens zich ’t meest over opwindt. En in het jaar waarin de Taalunie het thema ‘burger, taal en overheid’ centraal heeft gesteld, voelt dat nog gerechtvaardigd ook. De straat die naar de rivier de IJssel is genoemd, heet in onze buurt sinds jaar en dag ‘IJselstraat’. Met één s.

Even googlen – en ja hoor, de rivier heet echt IJssel met dubbel s. Net als in Overijssel of IJsselmeer. Ook voor de Hollandse IJssel geldt dat: Krimpen aan den IJssel, Capelle aan den IJssel, allemaal van hetzelfde laken een pak. Idem dito voor de Oude IJssel. Wikipedia: ‘De Oude IJssel begint in Duitsland onder de naam Issel en loopt daarna via de gemeenten Oude IJsselstreek, Doetinchem en Bronckhorst, waarna hij bij het stadje Doesburg in de IJssel uitmondt. In het Nedersaksisch heet de rivier de Olde Iessel.’ Alleen de Deventer zwem- en poloclub de IJsel bevestigt als uitzondering de regel.

Hoe zijn de naambordjes in onze Rivierenbuurt – consequent met één s – tot stand gekomen?, vraag ik me af. Heeft één ambtenaar een spelfout gemaakt en vond men het te duur om nieuwe bordjes aan te brengen? En hoe lang heeft die ‘Rooseveldlaan’ daar gehangen?

Ach, de wereld verandert er niet door, maar het maakt nieuwsgierig. Sindsdien loop ik spiedend door de buurt. En dit prachtige herfstweer, waarin de kastanjes (voor zover ze er nog zijn!) roestbruin en de linden okerkleurig pronken in de lage najaarszon, nodigt daar beslist toe uit.

Deze column is oorspronkelijk geschreven voor en gepubliceerd op zuidelijkewandelweg.nl, de website over (de geschiedenis van) de Rivierenbuurt in Amsterdam, vernoemd naar de roman 'Zuidelijke Wandelweg' van Paul Gelling.

zondag 20 juli 2008

Poëzie in het water

Poezie in het Park
Daar waren ze weer, de ouwe-getrouwen van Open Podium, de poëziemiddagen in de bieb, plus nog een paar anderen. De regie, als altijd, in handen van Jos van Hest.

Maar ditkeer was het buiten, in het kader van Amsterdam Wereldboekenhoofdstad. Poëzie in het Park heette het, en het was in het mooie Frankendael (daar niemand me ooit in De Kas heeft uitgenodigd, ben ik er altijd alleen maar langs gefietst tot nu toe - maar o, wat een prachtig park is dit!). De ruimte moest bij dit evenement een rol spelen. De dichters zouden zich op verschillende plekken opstellen, het publiek zou van de één naar de ander wandelen.

Maar er was één probleem, en niet zo'n kleintje ook. Het regende. Nee, het góót. Tropische regenbuien waren het, zonder de bijbehorende temperatuur. Tussen twee buiten in: stralende zon.
Helaas: de droge perioden waren few and far between.

De dichters zaten tenslotte opeengepakt op het podium, het publiek verdrong zicn in een paar tenten. Een enkeling waagde zich erbuiten, mét paraplu. Slechts één of twee figuren negeerden stoïcijns de regen. Alleen de aanwezige honden trokken zich van de buien niks aan - op pluimstaart Charlie na, die zich verschanste in een tent onder een tafel. 'Charlie?! Waar is Charlie?', zo onderbrak zijn 'moeder' haar declamatie. Maar Charlie vond 't allang best. Hij zat droog. Zijn 'zusje' daarentegen raakte zeer opgewonden van een grote witte hond met zwarte vlekken, die als een caniene Casanova voorbijhuppelde. De kleine moest een sprongetje maken om aan hem te ruiken - en toen was hij alweer voorbij.

Het was de dichters om het even. Ze lazen hun gedichten voor, sommigen nerveus en snel, de meesten geroutineerd, een enkeling theatraal. Een paar dichters zongen (goed) hun verzen, één declameerde in 't Engels, twee Spaanstaligen gaven ons (ook) de nog melodieuzere, originele versie. Jack Terrible - zo'n naam vergeet je nooit - kon 't niet laten ook zijn schilderijen te tonen.

Het publiek - toch nog redelijk wat mensen waren komen opdagen - lachte, klapte, bewonderde.

Het werd toch nog een mooie middag.

ShareThis