Follow me on Twitter

dinsdag 13 april 2010

Japie's Kookboek

Je zou 't niet zeggen, maar ik heb een chronische ziekte - zelfs meer dan één. Zoals ik in 't ziekenhuis wel eens grap: 'Op papier ben ik op sterven na dood, maar ik loop nog... ' en dan kun je invullen: vroeger was 't een halve marathon, daarna tien kilometer, nu ben ik al blij als ik de vijf haal... maar ik streef weer naar de tien! Alleen, ik kan niet alles eten - of drinken.

Door die ziekte(s) ben ik lid geworden van een patiëntenvereniging, de Alvleeskliervereniging. Die geeft een blad uit, Pancreatief. Daarin schrijf ik al enige tijd recepten voor (dietwise) 'minder validen' - zoals ikzelf.

Omdat betrekkelijk weinig mensen dat blad lezen, dacht ik: kom, ik plaats mijn recepten eens op een blog. En dat is er nu: Japie's Kookboek. Meer dan eens heb ik me laten inspireren door Heidi Swanson en haar 101cookbooks.com. Maar niet alleen door haar, ook wel door Karin Luiten en vele anderen - en soms ook is een recept uitsluitend ontsproten aan mijn fantasie.

Vandaag staan er de eerste recepten op: snelle happen. Omdat het gesprek, laatst, op een verjaardagsfeestje, over snel koken ging, en over kant-en-klaar koken. Als 'patiënt' kun je zelden kant-en-klaar voedsel tot je nemen: te zout, te vet, te veel suiker... Maar daarom kun je nog wel snel iets lekkers bereiden. Kijk maar!

zaterdag 30 januari 2010

Het geheugen van de sneeuw


Ja, ik weet het, voor veel mensen is het lastig. Glad. Smerig, hier en daar. Gevaarlijk, soms. Maar zelf geniet ik er van, iedere keer weer, van elk nieuw pak sneeuw. Dit is Een Winter Zoals Een Winter Hoort Te Zijn. Eindelijk!

De zon schijnt, ik móet naar buiten. Herinneringen komen op; aan het winterse Canada van de laatste jaren; aan het Beatrixpark van destijds, toen we ‘sneeuwvrij’ kregen van school; aan de Ringvaart waar ik (slecht) heb leren schaatsen, terwijl mijn moeder – in rok en op Friese doorlopers – tot mijn ergernis over het ijs zwierde...’De oudjes doen het nog best’, zei een eigenwijs klein Amsterdammertje langs de kant – want ja, wie in de veertig is, lijkt stokoud in de ogen van een kind, toen zeker.

De sneeuwpoppen van nu – zelden heb ik er zoveel bij elkaar gezien als een paar weken terug in het Martin Luther Kingpark – lijken een stuk  fantasierijker dan vroeger  – de makers dan, niet de poppen. (Of?...) Een meiske van een jaar of  vier, vijf roetsjt onvermoeibaar op haar slee naar beneden op het talud tussen fietspad en Cesar Willem Ittmannpad, om meteen weer moeizaam, steeds terugglijdend, omhoog te klauteren, keer op keer. Sleeën deed ik, meer dan een halve eeuw geleden, op het talud tussen spoor en ‘veldje’ (braakliggend stuk grond) langs de Wibautstraat, daar waar nu de Populierenweg loopt en (nog) het Trouw-Parool gebouw verrijst. Of, iets later, op het opgespoten land langs de Zuidelijke Wandelweg...

Omdat de wandeling een doel moet hebben, loop ik naar Zorgvlied. Het wordt tijd om weer eens een goed gesprek te voeren met mijn broer Henk, die daar tegenwoordig ligt. Als er niemand meeluistert, tenminste. Zó gek ben ik nou ook weer niet.

Bij het Martin Luther Kingpark valt een kindje in de sneeuw en zet het op een krijsen. ‘Má-máááá!’ Onwillig loopt ze even later aan de hand van haar opa (of tweede-leg-vader),  geregeld even nabrullend: ‘Má-máá...’ Wel steeds zachter en met langere tussenpozen. Haar broertje kijkt haar half meewarig, half geamuseerd aan, opa of vader weet er niet zo goed raad mee. ‘Gaat wel over’, bemoei ik me ermee, ‘uit principe moet je natuurlijk nog even blijven brullen.’ Hij lacht een beetje, waar hééft dat mens ‘t over?

Zorgvlied ligt er wonderschoon bij, hoe kan het anders? Bijna zwart-wit is het winterlandschap, alsof alle kleur onder de sneeuw verdwenen is. Weer komt een herinnering boven, nu aan een andere wandeling in de sneeuw hier, negen jaar geleden, op nieuwjaarsdag. Ik was toen meer een hardloper dan een wandelaar, maar omdat er zo’n dik pak sneeuw lag en het vroor dat het kraakte, besloot ik te gaan wandelen. En waarom op Zorgvlied? Joost mag het weten, ik kwam er nooit, behalve voor begrafenissen. Ook toen was het kerkhof  prachtig – maar toen ik thuiskwam, belde een van mijn nichtjes uit Canada, om te vertellen dat haar moeder, mijn halfzuster, net was overleden. Tja. En nu ligt onze broer hier. Hij lijkt er vrede mee te hebben, onder de heideplantjes die – hoewel met sneeuw bedekt – in bloei staan. Hoe kan dat?

Verder weer, langs het Boeddha-beeld tussen de rietpluimen en de rare Zittende Man aan de Boerenwetering. Ik schrok ervan toen ik het de eerste keer gewaar werd, vanaf het C.W. Ittmannpad. Alsof er echt een reus aan een gedekt tafeltje zat. Hoe lang staat dat beeld er al? Waarom had ik het nooit eerder gezien? Van de kerkhofkant is het minder eng, duidelijk een beeld. Zorgvlied is – behalve een prachtig park – ook een verzamelplaats van vreemde monumenten. Zoveel levens die hier samengevat zijn in een paar woorden op een steen, in een beeldhouwwerk, in een spreuk, een lied, waarvan alleen de nabestaanden de betekenis kennen.

Terug maar weer, over de Fluwelen Hoofdlaan, langs de met sneeuw bedekte naaldbomen en de loofbomen die toefjes wit dragen op hun kale takken en stam. Langs het mij inmiddels vertrouwde olifantje (wat doet dat hier? weer zo’n raadsel), en het graf van Annie M.G. Schmidt, waarvan het glas de besneeuwde takken weerkaatst.

Buiten schittert de Amstel in de late middagzon. Ineens is de kleur terug in beeld. Twee zwanen komen hoopvol naar de kant. Nee jongens, ik heb niks voor jullie, sorry. Waardig gaan ze dan maar kopje onder. Een paar meter verder suist een  roeiboot voorbij. Achter de Rozenoordbrug gaat de zon onder.

Deze blog staat ook op Geheugen van Plan Zuid

donderdag 31 december 2009

Goede voornemens






1. Geregeld (papieren) opruimen en kranten weggooien; niet meer de stapels zo laten groeien dat ik niets meer kan terugvinden;


2. Rekeningen op tijd versturen (en opletten of ze ook betaald worden); bonnen niet kwijtraken;

3a. Niet meer zoveel tijd verdoen met onzin-dingen (Twitter; allerlei fun-websites die er niet toe doen; online geklets; oude kranten lezen in plaats van ze in de kattenbak te doen); in short: no (at least less) procrastination;

3b. Zichtbaarder zijn op social media: LinkedIn, Twitter, Facebook, Hyves, Netlog, Plaxo... (in strijd met 3a - tja, 't is niet anders);

4. Vaker en vooral geregelder sporten;

5. Aan verjaardagen en zo proberen te denken; en er dan ook wat aan doen;

6. Mensen meteen terugbellen als ze mij gebeld hebben (en een boodschap hebben achtergelaten);


7. Geen geld over de balk smijten;

8. Efficiënter werken;

9. Nog beter op dieet letten;

10. Vaker naar een concert of een dansvoorstelling gaan (en soms naar toneel);

11. Elke dag muziek maken, zingen;

12. Elke dag iets doen waar ik bang voor ben ('Do one thing each day that scares you a day', staat er op mijn Lululemon tas; en Cisca Dresselhuys citeert graag Joke Smit: 'Emancipatie is steeds een stapje verder gaan dan je eigenlijk durft.'). Maar de straat op gaan als er vuurwerk afgeschoten wordt, dat hoeft niet.

13. Tot slot: nu eindelijk aan die cursus Arabisch beginnen...

14. Echt tot slot: niet zo zeuren over die goede voornemens, gewóón DOEN.

Grosso modo zijn 't ieder jaar dezelfde voornemens. 66 jaar en nog zo'n lijst... Zou er nog iets aan te verbeteren zijn?

Misschien zou het helpen als ik mijn voornemens in het Frans of het Engels opschreef. Dan zouden het automatisch 'résolutions', cq 'resolutions' worden: besluiten. Toch iets minder vrijblijvend dan zo'n voornemen... Change the "wish" list into the "I will" list (Lululemon again)...


vrijdag 11 december 2009

Trend 2010: Schrijf sexy en persoonlijk

Licht, transparant, goed gestructureerd, sexy en vooral persoonlijk: dat zijn zo’n beetje de trends voor de voorjaars- en zomermode van het komende jaar. Moeten we daaraan gehoorzamen? Niet per se. Maar het kan handig zijn te weten wat je te wachten staat – om erop vooruit te lopen, of om juist het tegenovergestelde te gaan doen.

Trends zijn al net zo waarneembaar in de journalistiek en ook die kunnen we wel of niet besluiten te volgen. Dat de sociale of nieuwe media in opkomst zijn, wisten we al. We raken bedreven in het schrijven van boodschappen van 140 tekens of dat nu gaat over een pr (persoonlijk record) hardlopen, een interessant discussiestuk, een bijzondere foto of een sinterklaassurprise… En we looien onze huid tegen 140-tekens-lange katten, want ook dat schijnt erbij te horen.

Maar er is meer in het leven dan Twitter (of Facebook, of LinkedIn, of de Villamedia Community). Zoals de, door goeroe Mark Kramer (zie Villamedia magazine nr. 5, 20.11.2009 ) gepromote narrative journalism of – in goed Nederlands – verhalende journalistiek. Denk aan Geert Mak in topvorm. Of, voor de oudjes onder ons, aan wat wij vroeger bij de Volkskrant ‘een mooi verhaal’ plachten te noemen – zo één voor ‘achter de advertentiepagina’s’, zoals wijlen directeur Jan Damen dat zo mooi vroeg aan de toenmalige eindredacteur van de zaterdagkrant, voorloper van Het Vervolg. Terug naar af, in zekere zin: terug naar het ambacht van de verteller. Jack London en Martha Gellhorn zijn beroemde voorbeelden, maar ook bij Het Vrije Volk, Het Parool of De Telegraaf zaten mensen die als geen ander een verhaal konden vertellen, toen dat nog mocht.

Welnu, het mag weer! Sterker, volgens Mark Kramer móet het zelfs… willen kranten überhaupt nog enkele lezers behouden. En wat ook weer mag, of moet – afhankelijk van de wijze waarop je met een trend om wilt gaan – is schrijven voor eigen parochie. Want hoe kleiner de ‘kerk’ die je bedient, hoe meer referentiekaders je deelt. Simpel.

Een andere goeroe, Mark Hunter, net als Mark Kramer een keynote speaker op het VVOJ-congres, eind november – gaat nog een stapje verder. De media die het (financieel gezien) goed doen, zegt hij, zijn de media die partij kiezen. Hunter, die sinds jaar en dag in Frankrijk woont, waar hij doceert aan de business school INSEAD in Fontainebleau, noemt onder andere Le Canard Enchaîné, blad voor onderzoeksjournalistiek (en satire!) dat het al ruim een eeuw uithoudt en nog winst maakt ook, zonder reclame! Hij noemt ook ‘gebonden’ media als die van Greenpeace – en je zou daar makkelijk consumentenprogramma’s als Radar, de Keuringsdienst van Waarde, Kassa aan toe kunnen voegen. Hunter: ‘Mensen willen tegenwoordig nog wel weten hoe dingen in elkaar zitten, maar vooral ook wat ze eraan kunnen doen.’

Opinie, oplossingen, dat is kennelijk wat ‘men’ wil. ‘Het is niet erg om partijdig te zijn, als je er maar eerlijk voor uitkomt’, aldus Hunter. ‘Zolang je maar integer bent.’

Waar heb ik dat eerder gehoord? Vroeger, bij de Vara, misschien? De ‘rode’ omroep wist precies waar ze stond, net als, destijds, de NCRV, de KRO en – ja, natuurlijk, de Vrijzinnig Protestantse Radio-Omroep. Zelfs de Avro had in de zuilentijd een eigen geluid. En gold dat niet ook voor de Volkskrant, toen de Katholieke Vakbond het er nog voor het zeggen had? Of voor Het Vrije Volk? Of – om nog verder in de tijd terug te gaan voor Het Volk van Pieter Jelles Troelstra? Ook Bruins Slot (Trouw) en Hendrik Algra (Friesch Dagblad) noemden zich politicus én journalist.

Niet dat we hun voorbeeld letterlijk moeten volgen, maar wat openlijker kleur bekennen, is misschien niet zo uit den boze als we jarenlang gedacht hebben. De oude Beuve-Méry, oprichter van Le Monde, zei het ook al: ‘Objectiviteit bestaat niet. Een objectief is een lens en mensen zijn geen lenzen. Wél kunnen we eerlijk zijn en aangeven waar we staan.’

Mark Hunter zegt, tientallen jaren later, eigenlijk precies hetzelfde. En als dat nou ook nog zou kunnen in de vorm van een mooi verhaal… Licht, transparant, goed gestructureerd, sexy en persoonlijk… Dan is er, alle sombere voorspellingen ten spijt, voor de journalistiek toch nog hoop. Ook voor de krantenjournalistiek.

Deze tekst verscheen eerder op Villamedia

maandag 19 oktober 2009

Henk

Henk
Het eerste beeld dat ik van Henk heb, is een foto, gemaakt in Nijmegen. Het is zo'n spikkelig, onduidelijk oorlogskiekje, waarop hij gehurkt achter mij zit en mij vasthoudt, want ik kan op dat moment waarschijnlijk nét lopen. Dat is voor mij het ultieme beeld van de Grote Broer, die je beschermt en tegelijk op de achtergrond blijft. En een Grote Broer is hij voor mij altijd gebleven - hij keek zelfs nog of m'n fietsbanden wel genoeg opgepompt waren - en pompte ze desnoods zelf nog op, zelfs toen hij daar voor mijn gevoel toch te zwak voor was. Maar die zwakte, die ellendige ziekte, daar knokte hij tegen met alles wat hij in zich had. Ik had daar heel veel bewondering voor. En later, vrij onlangs dus, toen hij besloot dat hij genoeg gevochten had – toen was dat weer met een mentale kracht waarvan ik dacht: petje af.

En het tweede beeld dat ik van hem heb, dat zijn de brieven die hij aan me schreef toen ik als kind van 6 langdurig in het ziekenhuis lag en hij in Indië was. In mijn herinnering kwam er iedere week zo'n brief. Dat is vast niet zo, ik kan me nauwelijks voorstellen dat een jongen van 20 elke week een brief schrijft aan zijn kleine zusje, maar dat geeft niet. Van die brieven kreeg ik een geweldige kick, in dat ellendige ziekenhuis. Hij schreef natuurlijk alleen over de leuke dingen, over een aapje waar hij mee speelde, bijvoorbeeld. Maanden later, toen ik allang weer uit 't ziekenhuis was maar Henk nog steeds in Indië 'diende', hoorde ik op de radio iets over Korea en de oorlog daar. Ik zei tegen mijn moeder: 'Wat fijn dat Henk in Indië is en niet in Korea...' Waarop m'n moeder een beetje zuinig keek en heel voorzichtig zei dat 't in Indië ook niet zo erg pais en vree was... Daar schrok ik erg van. Ik had geen idee! Henk had het ook wel heel goed voor me verstopt - nooit schreef hij een woord over iets dat ook maar in de verte met die politionele acties te maken kon hebben. Weer moest hij zijn kleine zusje beschermen.

Een jaar of vijf geleden was er weer eens zo'n markant Grote-Broermoment. Het was tijdens het EK in Lissabon, in 2004. Op mijn werk hadden collega's een voetbalpool georganiseerd. Ik weet niets van voetbal, het interesseert me ook geen lor en ik wilde dus niet meedoen. Maar de collegiale druk maakte dat er geen ontkomen aan was. 'Dan moeten jullie het zelf maar weten', zei ik. En ik schakelde Henk in. Hij vond het wel geestig om als een soort 'ghost-writer' voor zijn kleine zusje te opereren. En mijn succes in de voetbalpool was ongekend. We stegen en stegen en stegen en stegen - en bijna, op een haar na, hadden we de pool gewonnen, ware het niet dat we, net bij de finale, overtroffen werden. Maar mooi was het toch geweest.

Het derde is het beeld van HenkenJacques. Bijna als één woord. Een twee-eenheid waren mijn twee broers, onafscheidelijk - ook al zagen ze elkaar in latere jaren weinig. In hun idee waren ze nog steeds de broertjes van 'toen'. Elk jaar gingen ze samen naar Nijmegen, zolang ze nog konden. En wanneer ze elkaar zagen, waren ze voor even weer dat onafscheidelijke stel.

Voor hun (en mijn) oudere zussen waren de kleine broertjes 'de jongens' - en dat zijn ze ook altijd gebleven, al zaten Rie en Greet beiden heel ver weg.

Voor nog iemand in Canada waren ze The Boys. Dat was Roy Shakell, de Canadese soldaat die HenkenJacques in Nijmegen mee naar huis namen - de Canadezen waren gelegerd op de Goffert,tegenover ons huis. De vriendschap met Roy, en met zijn latere gezin, heeft altijd stand gehouden. Altijd vroeg Roy naar The Boys, als ik hem in Midland, zijn stadje in Ontario, ging opzoeken. De vriendschap strekte zich later zelfs uit tot een jongere generatie. En toen Roy stierf, zo'n anderhalf jaar geleden, stonden we alledrie (Henk, Jacques en Jacqueline) onder de overlijdensaankondiging als 'extended family'.

En nu zijn ook de Shakells verdrietig over het overlijden van Henk. En te bedenken dat die vriendschap, dwars over de Atlantische Oceaan en door twee generaties heen, in gang is gezet door twee jochies van 14 en 16, HenkenJacques.

Toevallig was Henk zelfs na zijn dood nog even de Grote Broer die weet wat ik niet weet. Ik had een discussie met mijn achternichtje Margot Linden over de vraag of de tweede voornaam van mijn vader nu Cornelis of Cornelus was. Ik wist zéker dat het CornelIS was, maar Margot had CornelUS op Facebook geschreven. Ze gaf zich bijna gewonnen, zo overtuigd was ik van mijn gelijk. Maar voor de zekerheid zei ze nog: 'Laat je broer Henk 't maar niet horen, hij heeft dat nog zo benadrukt, dat 't CornelUS was.'

Oei, dacht ik, dan kan ik 't beter checken... Dus 't trouwboekje van pa opgezocht - en jawel: CornelUs! Had ik 't 66 jaar fout geschreven... Of tenminste 60 - eerder zal ik niet hebben kunnen schrijven... 'Wat jammer - zei ik tegen Margot - dat ik dit Henk niet kan vertellen!' Waarop Margot: 'Ik denk dat ie 't wel meegekregen heeft, daar waar hij is, en dat-ie heel hard om zijn eigenwijze kleine zusje moet lachen...

ShareThis